Spaans Leren - inicio

Tramontana

Wat een koning overkwam met een stel oplichters die een stof weefden
Traducción: © Miel Slager

don Juan Manuel (1282-1349)
don Juan Manuel (1282-1349)

Onderstaand een verhaal uit een bundel die is samengesteld door, of in opdracht van een veertiende-eeuwse Spaanse edelman: don Juan Manuel. De gelijkenis met een van de bekendste sprookjes van Andersen, De nieuwe kleren van de keizer, is te treffend om aan toeval te denken.
De bundel van don Juan Manuel (1282-1349) heet Graaf Lucanor en Patronio. Het vaste patroon van elk verhaal is dat de graaf raad vraagt aan zijn vertrouweling Patronio, die dan steevast antwoordt met een leerzame geschiedenis uit een klassieke of oosterse bron. Het bewuste verhaal staat in het boek als exempel 32.

Op een dag zat Graaf Lucanor te praten met Patronio, zijn raadgever, en zei tegen hem: "Patronio, er is een man bij me geweest die me iets heel belangrijks heeft verteld, dat volgens hem zeer in mijn voordeel zou zijn, maar hij heeft me gewaarschuwd dat geen mens ter wereld, hoe vertrouwd hij me ook is, er van mag weten. En om te laten zien hoe belangrijk het is dat ik dit geheim bewaar, zegt hij dat als ik het aan iemand verklap, mijn hele bezit en zelfs mijn leven groot gevaar lopen. Nu weet ik dat geen mens jou iets zou kunnen vertellen dat jij niet begrijpt, en dus wil ik graag van jou horen wat je ervan vindt."

"Heer Graaf," zei Patronio, "om u te laten begrijpen wat u volgens mij het beste kunt doen, zou ik graag willen dat u hoorde hoe het een koning verging met drie oplichters die hij bij zich kreeg."

Graaf Lucanor vroeg hem hoe dat gegaan was.

"Heer Graaf," zei Patronio, "er kwamen eens drie oplichters bij een koning en zeiden hem dat zij meesters waren in het weven van stoffen, en meer in het bijzonder van een stof die iedereen zou kunnen zien die een kind was van degene die als zijn vader gold; maar wie geen kind was van de man die hijzelf en andere mensen voor zijn vader hielden, die zou de stof niet kunnen zien.

De koning leek dit geweldig, want hij dacht dat hij met die stof te weten kon komen wie er in zijn rijk een kind was van degene die zijn vader moest zijn, en wie niet, en dat op die manier zijn bezit sterk kon toenemen, want Moren erven niets van hun vader als ze niet werkelijk diens kinderen zijn. Daarom gaf hij opdracht hun een paleis te geven waar ze die stof konden maken.

De mannen zeiden hem, dat hij ze maar moest laten opsluiten in dat paleis totdat de stof af was, dan kon hij zien dat ze hem niet wilden bedriegen. Dat vond de koning uitstekend. Nadat ze voor het maken van die stof veel goud hadden gekregen, en zilver, en zijde, en allerlei kostbaarheden, gingen ze het paleis binnen en werden daarin opgesloten.

Ze richtten hun werkplaats in en deden alsof ze de hele dag aan het weven waren. Na een paar dagen kwam een van hen de koning zeggen dat het eerste begin er was en dat er niets mooiers op de wereld bestond; hij zei hem hoe en met wat voor figuren dat eerste begin was gemaakt, en dat hij, als hem dat behaagde, kon komen kijken, maar dat er absoluut niemand met hem mee naar binnen mocht. En de koning beviel dat zeer.

Omdat de koning het eerst op een ander wilde uitproberen, stuurde hij een kamerheer om te gaan kijken. Toen de kamerheer de meester-wevers aan het werk zag en ze hoorde praten, durfde hij niet te vertellen dat hij de stof niet zag. En toen hij weer bij de koning kwam, zei hij dat hij hem gezien had. Daarna stuurde de koning een ander en die zei hetzelfde. En toen iedereen die hij gestuurd had zei dat hij de stof gezien had, toen ging de koning zelf kijken.

Toen hij in het paleis kwam zag hij de meesters zitten weven. Ze zeiden hem dat ze het werk zus en zo gedaan hadden, en er dat en dat verhaal in verwerkt hadden, en die en die figuren, en die en die kleuren. Maar in werkelijkheid waren ze geen van drieën aan het weven. Toen hij ze niets zag weven en hun verhalen over die stof hoorde, die hij niet zag terwijl de anderen hem wel gezien hadden, toen dacht de koning dat hij verloren was, want hij geloofde dat hij dan geen zoon was van de koning die hij voor zijn vader hield en dat hij daarom de stof niet kon zien, en hij vreesde dat als hij zei dat hij hem niet zag, hij zijn rijk zou verliezen. En daarom prees hij de stof uitbundig en hij onthield goed hoe de meester-wevers zeiden dat de stof gemaakt was.

Toen hij weer thuis was bij de mensen begon hij wonder wat te vertellen over hoe goed en hoe prachtig die stof was, en hij vertelde wat voor figuren en dingen erop stonden, maar onderwijl was het hem slecht te moede.

Na twee of drie dagen stuurde hij zijn gerechtsdienaar om naar die stof te gaan kijken. De koning vertelde hem over de wonderlijke en vreemde zaken die hij op die stof gezien had, en de gerechtsdienaar ging er heen. Toen hij binnenkwam en de meester-wevers aan het werk zag, die hem vertelden over de figuren en de dingen die er op de stof stonden, en toen hij hoorde dat de koning die gezien had, terwijl hij hem niet zag, toen geloofde hij dat dit kwam omdat hij geen zoon was van de man die hij voor zijn vader hield, en dat hij hem daarom niet zag, en hij dacht dat als dat bekend werd, hij zijn eer kwijt zou zijn. En daarom begon hij de stof even luid te prijzen als de koning gedaan had, of nog luider.

Toen hij terugkwam bij de koning en hem vertelde dat hij de stof gezien had en dat er op aarde niets edelers en fraaiers te vinden was, voelde de koning zich nog ongelukkiger, omdat hij dacht dat als de gerechtsdienaar de stof zag die hij zelf niet had gezien, het vaststond dat hij geen zoon was van de koning die volgens hem zijn vader was. En daarom putte hij zich nog meer uit in loftuitingen op de kwaliteit en het edele karakter van de stof en van de meesters die zoiets wisten te vervaardigen.

De volgende dag stuurde de koning een andere vertrouweling en die verging het net zoals het de koning en alle anderen vergaan was. Wat zal ik u verder nog vertellen? Op die manier en door die angst werd de koning bedrogen en met hem iedereen in zijn land, want niemand durfde te zeggen dat hij de stof niet zag.

Beeldengroep in Odense naar sprookje van H.C. Andersen

Dit ging zo verder tot kort voor een groot feest. Iedereen zei dat de koning op dat feest die stof moest dragen.

De meester-wevers brachten de stof in fraai laken gewikkeld, deden alsof ze hem uitpakten en vroegen de koning wat hij wilde dat ze uit die stof maakten. En de koning vertelde wat voor kleren hij wilde. Ze deden alsof ze de stof knipten en daar de maten voor de kleren op uitzetten om die daarna te naaien.

Op de dag van het feest kwamen de wevers bij de koning met de stof waaruit ze kleren geknipt en genaaid hadden en ze deden alsof ze hem aankleedden en de stof gladstreken. Daar gingen ze mee door tot de koning geloofde dat hij gekleed was, want hij durfde niet te zeggen dat hij de stof zelf niet zag. Toen hij zo goed gekleed was als u gehoord hebt, steeg hij op zijn paard voor een rit door de stad, en dat beviel hem best want het was zomer.

En toen de mensen hem zo aan zagen komen rijden, terwijl ze wisten dat wie de stof niet zag geen kind was van zijn vermeende vader, dacht iedereen dat de anderen de stof wel zagen en hij niet, maar dat als hij dat zei, hij verloren en onteerd zou zijn. En zo bleef dat geheim bewaard, want niemand durfde het te onthullen, tot een neger die voor het paard van de koning zorgde en die niets te verliezen had, naar de koning toe kwam en hem zei: 'Heer, mij kan het niet schelen of u me wel of niet voor een zoon houdt van de man die ik mijn vader noem, en daarom zeg ik u: of ik ben blind, of u loopt naakt'.

En de koning begon hem uit te schelden en zei hem dat hij geen zoon was van de man die hij voor zijn vader hield, en dat hij daarom de stof niet zag. Maar toen die neger dat zei, hoorde een ander dat, en die zei toen hetzelfde, en daarna zeiden steeds meer mensen het, totdat de koning en alle anderen hun angst verloren om de waarheid onder ogen te zien en begrepen dat ze door de bedriegers waren gefopt. Maar toen ze die zochten, toen konden ze hen niet vinden, want ze waren er vandoor met wat ze van de koning hadden gekregen door middel van het bedrog waarover ik u verteld heb.

En u, heer Graaf, kunt er zeker van zijn dat als die man beweert dat geen van uw vertrouwelingen iets mag weten van wat hij u zegt, dat hij dan van plan is u te bedriegen. Er is immers geen reden waarom die man, die u niets verschuldigd is, eerder uw voordeel zou zoeken dan degenen die bij u wonen, en die zoveel aan u te danken hebben en zoveel goeds van u ontvangen hebben dat zij vanzelf op uw voordeel bedacht zijn en u willen dienen."

Graaf Lucanor vond dit een goede raad en handelde ernaar en dat bekwam hem goed.

En Don Johán [= don Juan Manuel], die dit een goed exempel vond, liet het opschrijven in dit boek en maakte er de volgende verzen bij:

Raadt iemand je aan iets voor je vrienden te verbergen, weet dan dat hij je voor meer dan twee vijgen wil oplichten.

Miel Slager is hispanist en vertaler. Bekijk zijn website op home.wanadoo.nl/e.slager/. Zie hier een Spaanstalig voorbeeld van El Conde Lucanor: junipera.datsi.fi.upm.es/josema/Lucanor.html


Spaans Leren is een initiatief van Hans Konings, docent Spaans met onderwijservaring aan scholieren en volwassenen sinds 1987. Op alle teksten, afbeeldingen en overige vormgeving, kortom deze hele sitio web rusten auteursrechten. Niets mag gekopieerd of anderszins verspreid worden zonder uitdrukkelijke, schriftelijke toestemming van de maker(s). Verwijzingen van andere webpagina's naar deze sitio web zijn toegestaan, mits aan de integriteit van deze pagina's niets veranderd wordt. Aan onze verwijzingen naar andere websites kunnen geen rechten ontleend worden. De inhoud van die websites valt buiten onze verantwoordelijkheid.
Spaans Leren staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel Amsterdam onder nummer 33.255.899

© Spaans Leren, 1997 - 2008

Diseño web: KAMA Systems Amsterdam
Ilustraciones: Hans Konings y Rudi Jonker - Red Cat Art Productions Amsterdam

[afbeelding: Abonneer je op Spaans Leren RSS]