Een in Mesopotamië gevonden tekst verhaalt ‘De grote stier, de oppermachtige stier, die de heilige grond betreedt… koren plantend en overvloed genererend.’

Toro
De zeevarende Phoeniciërs brachten deze Baal naar hun vele koloniën; o.a. naar Griekenland, Italië en Spanje. En aan deze stierenvereerders danken wij ook de eerste letter van ons alfabet; de A. Oorspronkelijk omgekeerd, met de punt naar beneden, de kop van Baal voorstellend.
De stiergod en de koegodin vestigden zich aldus in vele vormen rond de Middellandse zee en zuidelijker in Afrika.
De aanwezigheid van deze vele vormen van de stierencultus wijst er ook op dat in die tijd in de genoemde streken nog de voorwaarden aanwezig waren om kudden runderen te weiden. Waar de Mediterrane landen nu gekenmerkt worden door geërodeerde heuvels en zandvlakten, groeiden toen nog bossen en gras. Denk maar aan de beroemde, haast verdwenen, ceders van de Libanon, de pijlers van menig heiligdom toendertijd.
Na de Sumeriërs en de Carthagers, pleegden de Grieken en Romeinen een enorme kaalslag in de Mediterranee, wat een Griekse tijdgenoot al deed verzuchten dat de natuur kapot werd gemaakt, louter en alleen om de enorme vloten, nodig voor oorlog en handel, te kunnen bouwen. Het wegspoelen van de vruchtbare grond leidde er tenslotte toe dat grote delen van het land alleen nog geschikt waren voor geiten en schapen.
Dat schilderachtige beeld dat we op onze vakanties in het zuiden nog steeds tegenkomen.
De indrukwekkendste overblijfselen van de stierencultus zijn die op het Griekse Kreta. Grote zwarte stierenkoppen met vergulde of gouden horens, enorme wandschilderingen, munten en vaatwerk met stieren.
Op dit eiland zouden koning Minos en zijn twee broers geboren zijn, nadat zijn moeder, Europa, door de verliefde oppergod Zeus in de gedaante van een witte stier geschaakt en er verkracht was.
Zoals veelal gebruikelijk bij vorsten uit de klassieke oudheid, moesten deze na een cyclus van acht jaar hun koningschap en hun kracht hernieuwen door contact met de oppergod. Minos trok zich daartoe dan terug in een grot en als teken van zijn herwonnen vitaliteit werden na zijn terugkomst mensenoffers gebracht. De onfortuinlijke Atheners moesten hiertoe elke acht jaar zeven jongens en zeven maagden sturen. Bestemd voor zijn zoon, de Minotaurus, de stierman, heerser in het labyrinth of een verpersonificatie van deze figuur. Het eerste hield, denkt men, een levenslange opsluiting in, het tweede een offeren aan een bronzen stierenbeeld, stand-in voor de koning en de zon.
De slachtoffers werden of in een hol stierenbeeld levend geroosterd of in de handen van een beeld met een stierenkop gelegd, dat hen daarna in het vuur liet glijden. Ondanks het symbolische vernieuwen van levenskracht zijn dit gruwelijke handelingen en staat de stier in onze hedendaagse ogen meer voor de dood dan voor het leven. Het is het leven voor leven en het bloed voor bloed, dat herinnert aan de oorlogs- en dondergoden van de militaristische steppenvolken.
Op het Griekse vasteland en in de toenmalige Griekse kolonieen werd de kombinatie stier, leven en dood op een andere manier vorm gegeven.
De vegetatiegod Dionysus, oftewel Bacchus, die wij uit de beeldende kunst vooral kennen met druivetrossen om zijn hoofd en een glas wijn in de hand, had in de oudheid niet de vreedzame gedaante waarin wij hem kennen.
Een offer had vroeger gewoonlijk dezelfde vorm als de gedaante waarin de god werd aanbeden. Eén van de verschijningsvormen van Dionysus was de stier. En ter ere van deze verschijning en ter herdenking van zijn herrijzenis uit de dood, vond een gruwelijk ritueel plaats.
Op het bestemde tijdstip en op de bestemde plaats, kozen de volgelingen van de god uit een kudde een stier. Deze keus bepaalde volgens hen de god zelf, Dionysus. Vervolgens werd het geselecteerde beest met slingers versierd en naar de tempel gedragen. Daar storten de aanwezigen zich op het dier om het met hun tanden levend te verscheuren. Al doende werd hen de kracht van de god deelachtig , wiens vlees zij immers aten. Buiten dit soort offers werd er immers geen rundvlees gegeten; dit bleef beperkt tot het eten van vlees van dieren die eerst aan een god geofferd waren.
Het geloof in de potentie van de stier, het geloof in zijn levenskracht en aan de andere kant zijn beangstigende wortels in het dodenrijk, vertroebelen tot op zekere hoogte nog steeds ons denken over dit beest.
Amsterdam, maart 1998
Monica Rotgans is een door het Iberisch schiereiland gefascineerde schilder en beeldhouwer. Ze organiseert schilderreizen naar Zuid-Spanje. Daarnaast is zij auteur bij verschillende magazines en docent schilderen. Zij publiceerde o.a. Toros y Tierras en het prachtige schilderboek Verf.

Verf – Monica Rotgans