Stierengevechten. In onze noordelijke ogen zijn er weinig barbaarsere beelden van dierenmishandeling dan dit Iberische spektakel. Bevlogen tegenstanders proberen aan deze praktijk via de politiek en emotionele acties een einde te maken, terwijl de aficionados even emotioneel proberen aan te tonen dat het bij de corrida om meer gaat dan het publiekelijk doden van een stier. (1998)

Toro de lidia
De Nederlandse tegenstanders van het stierengevecht hebben een illustere voorganger: de eerste en enige paus die ons land ooit heeft voort gebracht, Adrianus VI. Toen deze in 1521 tot zijn verbazing gekozen werd, trof hij in zijn Vaticaanse hofhouding o.a. een aantal stierenvechters aan, in dienst om het Romeinse publiek regelmatig te vermaken met een gevecht. Hij ontsloeg ze onmiddellijk, wat zijn populariteit geen goed deed. Zijn opvolger nam ze trouwens meteen weer in dienst. Tijdens de Spaanse overheersing werden ook in de Nederlanden z.g. stierenjachten gehouden. Hiervoor maakte men dan gebruik van gewone huisrunderen.
Ondanks het overbekende beeld van de zwarte vechtstier, gepopulariseerd door de enorme ijzeren stieren van de sherrybaronnen Osborne, onderscheidt het beest zich juist door enorm veel kleurvariaties en hoorn- en lichaamsvormen. Feitelijk een hutspot van ooit inheemse runderen die het schiereiland in de loop der eeuwen bevolkt hebben. Visueel doet het denken aan wat we hier op onze veestukken van voor 1880 zien. En het bijzondere is dat het Spaans voor al deze kleuren en vormen eigen woorden heeft, zodat exact aangeduid kan worden over welke eigenschappen en vormen men het heeft. Om een idee te geven; de kleuren van de toro de lidia worden verdeeld in tien hoofdgroepen met weer ettelijke subgroepen. Een groot verschil met onze drie ‘oorspronkelijke’ hoofdgroepen: zwart, zwart-wit en rood-wit.
Het in 1552 publiceren van een officiële lijst van oor- en brandmerken beschouwt men als het begin van de vechtstier-fokkerij. De eerste bekende fokker was ene Blas Jijón. Zijn naam is nog steeds verbonden aan de vlammend, dieprode kleur die van tijd tot tijd bij de dieren opduikt, te danken aan zijn keus voor brandrode beesten uit de provincie La Mancha. Ondanks dat deze runderen niet meer als zuivere groep bestaan, blijft zo toch een verwijzing naar de oorspronkelijke afstamming aanwezig.
Als oudste kudde, na de uitgestorven Jijones, wordt die van Cabrera beschouwd. Van hen is sprake sinds 1745, met als eigenaar José Cabrera uit Utrera bij Sevilla. Kenmerkend voor deze dieren is hun vermogen onderscheid te maken tussen de cape en de man er achter, wat hen een gevaarlijk tegenstander maakt bij een confrontatie. Vandaag de dag is deze eigenschap nog aanwezig bij de gevreesde Miura’s, grote, lange stieren met een enorme energie. Kenmerkende kleuren: zwart, grijs, roodgespikkeld en soms bruinen met een z.g patrijzenoog.
Kudde twee is die van de gebroeders Gallardo. In 1750 samengesteld door de priester Don Bernaldo de Quires, die hiertoe stieren uit Navarra kruiste met koeien uit Andalusië. Dominante kleuren: zwart, zwart-grijs en kastanje. Huidige afstammelingen zijn de beroemde stieren van Pablo Romero.
Als derde stam beschouwt men de Vazquena’s. Rond 1757 ‘opgericht’ door Don Vázquez uit, alweer, Utrera. De oorspronkelijke dieren werden al snel gekruist met vier andere soorten zodat van het oorspronkelijke type niets overbleef. Deze overdaad aan voorouders veroorzaken bij de afstammelingen een breed kleurenspectrum, variërend van zwart naar wit, koffiekleurig en alles daar tussen.
De laatste groep is die van Vistahermosa, daterend uit 1775, ook weer uit Utrera. Over het jaartal wordt gediscussierd omdat een eerste ‘set’ stieren door een eerdere eigenaar al in 1733 in de arena van Sevilla werd gepresenteerd. Directe afstammelingen zijn de huidige Urquijo stieren. Door eeuwenlang een uiterst zorgvuldig fokbeleid te hanteren met zo goed als geen ‘vreemd’ bloed zijn de kleuren beperkt: zwart, donkergrijs en kastanje.
Er zijn er natuurlijk meer geweest, maar men laat groepen die niet duidelijk aanwijsbare invloeden hebben of nog te ‘jong’ zijn, buiten beschouwing. Het zou voor de lijn van dit verhaal ook te veel worden om diepgaand op deze materie in te gaan.
Welke stieren nog wel vermeldenswaard zijn, zijn de Morucho’s. Afkomstig uit de omgeving van Salamanca, geen zuivere bravos door een te hoog gehalte aan ‘gewoon’ rund in hun afstamming. Deze dieren worden vanwege hun gehardheid en weinig veeleisende karakter gebruikt voor de ruwe dorpsfeesten.
Bij bovenstaande opsomming is duidelijk te zien, dat de bakermat van de vechtstier-fokkerij in het hete zuid-Spanje, in Andalusië ligt. Nog steeds komen daar de meeste, en beste stieren vandaan en men gelooft ook dat de barre omstandigheden waarin de dieren moeten leven, weinig water en voedsel, de omstandigheden zijn waardoor een rund met dit karakter zich heeft kunnen ontwikkelen. Als een stier een Spaanse (of Portugese, of Mexicaanse, of Columbiaanse) arena binnen dendert, is hij doorgaans tussen de drie en vijf jaar oud en weegt hij tussen de vier- en zeshonderd kilo. Niet zo zwaar dus vergeleken met het ons bekende slachtvee.
Deze stier is een fokproduct, toegesneden op de eisen van de tegenwoordige stierenvechters. Wendbaar, kort dus, met een karakter en uithoudingsvermogen geschikt om het het vijftien minuten durende gevecht vol te houden en te doen wat er van hem gevraagd wordt.. Niet meer te vergelijken met het beest dat vijftig of honderd jaar geleden in de arena stond.
Leg een ets van de 19e eeuwse Spaanse schilder Goya naast een foto van een huidige toro de lidia en het verschil is duidelijk zichtbaar. De opgerichte horens zijn nu laag en naar voren, het lichaam is anders geproportioneerd en ook het temperament is niet meer zoals dat bij de stieren uit Goya’s tijd gebruikelijk was. Zelfs een stier uit de tijd van Hemingway, de jaren ‘30, verschilt hemelsbreed van wat er nu in arena’s te zien is. Deze ‘oude’ vormen zijn nog terug te vinden in een restant van het originele Portugese vechtras , de toiro da terra, die op de rand van uitsterven staat, en bij de zwarte halfwilde runderen uit de Rhone-delta. Ook een vechtstier moet beantwoorden aan de wetten van vraag en aanbod. En aan de mores van de tijd. Voor veel aficionados is het heden een dieptepunt in de geschiedenis van de corrida en ziet men de toekomst somber in. Niet alleen vanwege de stijgende populariteit van het spektakel, dat ten koste gaat van de kwaliteit van de aangeboden stieren, maar ook door het teveel tegemoet komen aan de eisen van de toreros, die er uiteraard baat bij hebben de arena ongeschonden te verlaten en steeds kleinere en handzamere tegenstanders vragen. Voor een dier dat gewend is aan de extreme omstandigheden en het karige voedselaanbod van zijn geboortegrond zijn dit soort zaken funest. Het resultaat is een al na tien minuten naar adem snakkende stier, geveld door een teveel aan vet en kilo’s. Ook de z.g. wilde toro bravo blijkt niet anders dan onze gedomesticeerde runderen. Een product geschikt voor het doel wat men gesteld heeft met een nauwkeurig afgepaste hoeveelheid vrijheid om oude emoties en verlangens in leven te houden.
Want het blijft indrukwekkend en ongrijpbaar: een woedende toro bravo, de staart geheven, de nek strak gezwollen van drift, een oervorm, vol zelfvertrouwen de arena instormend, het speeksel in lange slierten achter zich aan trekkend, de kop snel heen en weer bewegend, klaar om elke vijand onmiddellijk aan te vallen. Ons.
Amsterdam, mei 1998
Monica Rotgans is een door het Iberisch schiereiland gefascineerde schilder en beeldhouwer. Ze organiseert schilderreizen naar Zuid-Spanje. Daarnaast is zij auteur bij verschillende magazines en docent schilderen. Zij publiceerde o.a. Toros y Tierras en het prachtige schilderboek Verf.

Verf – Monica Rotgans