Sommige plekken in Peru, zoals Cuzco, worden ieder jaar weer bedolven onder een stroom toeristen. De Centrale Andes bleef hierbij tot voor kort sterk achter, mede omdat het gebied jarenlang, met name in de jaren ’80, werd geteisterd door het terrorisme van het Lichtend Pad. Ook wat betreft de bereikbaarheid is er nog veel in te halen. Maar misschien heeft juist daarom een stad als Ayacucho nog nauwelijks iets van haar koloniale grandeur en authenticiteit verloren. (1997/1998)
Perú
Ik ga vanavond aan God vragen waarom Peru en Nederland zo ver uit elkaar liggen.
De drie mannen met wie we aan een tafeltje zijn beland, grijnzen ons breed aan. Na elke uitgesproken zin worden we op de schouders getimmerd en omhelsd. Unieke vrienden zijn we, nee, broeders zelfs. Ze zijn straalbezopen, wat om twee uur ‘s middags geen uniek beeld is in een willekeurige bar (betonnen vloer, grote flessen bier op tafel, afgekloven kippenbotten op de vloer en een tv die hard aanstaat) in Peru. We zijn in Ayacucho, in het gebied dat de ‘Centrale Andes’ wordt genoemd en dat ten noorden van Peru’s meest toeristische plaats Cuzco ligt.
Sinds enkele jaren is Ayacucho enigszins een plaats van betekenis voor de westerse toerist gaan worden. Daarvoor had de plaats slechts bekendheid als de geboorteplaats van de guerrilla-beweging ‘het Lichtend Pad’ (Sendero Luminoso). Ontstaan vanuit de universiteit, breidde de beweging haar activiteiten steeds verder uit en werd hoe langer hoe gewelddadiger. Vooral in de jaren ’80 was het gehele gebied zeer onveilig. Ook toeristen werden het slachtoffer van aanslagen. Het beste wat je in die tijd kon gebeuren, nadat je bus was tegen gehouden, was een ‘vrijwillige bijdrage’ voor de strijd te geven. Tot begin jaren ’90 raadt elke reisgids een ieder dan ook sterk aan zich zo ver mogelijk van dit terroristische broeinest te houden.
Inmiddels is er veel veranderd. President Fujimori leidt het land met dictatoriale hand en de strijd tegen het terrorisme heeft de hoogste prioriteit. Deze politiek legt in ieder geval het toerisme geen windeieren, want de belangstelling voor de Centrale Andes begint toe te nemen nadat het Lichtend Pad in 1992 beslissende klappen kreeg toegediend toen zijn leider en oprichter Guzman in Lima werd opgepakt.
Fujimori’s eigen populariteit is voor een groot deel gebaseerd op zijn hardhandig optreden tegen guerrilla-bewegingen. Nadat op 22 april van dit jaar de Japanse ambassade in Lima werd bestormd en de leden van de MRTA (Movimiento Revolucionario Tupac Amaru, actief vanaf de tachtiger jaren en toentertijd altijd in de schaduw opererend van het veel bekendere Lichtend Pad) waren gefusilleerd, stegen de populariteitscijfers van de president naar grote hoogten.
In Ayacucho doet weinig herinneren aan een gewelddadig verleden; het pittoreske plaatsje (gelegen op ruim 2700 meter, 100.000 inwoners) ademt de sfeer van iedere andere goed geconserveerde ex-koloniale stad in Zuid-Amerika. Met in het midden het centrale plein (dat altijd Plaza de Armas heet) met wat palmen, een zestiende-eeuwse Spaanse kathedraal, en om het plein de koloniale gebouwen met de typerende booggalerijen, zodat je altijd beschermd bent tegen zon en regen. En regenen doet het in deze tijd (januari) van het jaar. Steevast verandert de strak blauwe lucht aan het eind van de middag ineens in een dreigend vooruitzicht. De regen hangt als een donkere hoop in de lucht, alles lijkt één moment de adem in te houden en dan versplintert de dag met grote kracht. De steile steegjes veranderen in kolkende beken, stof en vuil worden meegesleurd en de geur van vette kip en afval maakt plaats voor die van de regen. De bevolking kijkt er niet van op of om en gelaten sjokken de meesten tot aan de kuiten door de nattigheid. Op hun hoeden staat een plasje water. Regentijd.
Aan de andere kant van de Andes, aan de kust, is het in deze periode juist mooi weer als voor een paar maanden de kleffe zeemist het veld ruimt. Onze reis begint hier, in de hectische hoofdstad Lima. Na twee dagen onder de felle zon te zijn klemgereden door hordes oude Kevers, is het tijd om de wijk naar rustiger en koeler gebieden te nemen. We kiezen op tamelijk irrationele gronden een van de vele busmaatschappijen uit. De bijrijder die het hardst aan je arm trekt, krijgt de meeste passagiers. Ondanks de telkenmale herhaalde beloften dat we ‘nu’ weggaan, zitten we zeker twee uur in een psychopatische hitte in onze bus te wachten tot we de Andes ingaan. De stank is ondragelijk, want de bus staat in een van de uitgestrekte sloppenwijken van Lima. Tot zover het oog reikt, verrijzen bergen vuilnis waarop de kartonnen onderkomens zijn geplaatst. Kleine kinderen en stokoude vrouwen proberen de inzittenden van de bus ondertussen van alles te slijten, van de nationale frisdrank Inca-kola – een mierzoete, geel-groen fluorescerende substantie – tot kolven maïs, van kip tot kauwgom. De bus rijdt uiteindelijk ongeveer loodrecht omhoog de Andes in. Als we op een pas van boven de 5000 meter wegens pech moeten halt houden en wat rondlopen in dit desolate landschap, merken we voor het eerst de verschijnselen van de beruchte hoogteziekte op: duizeligheid, misselijkheid en hoofdpijn. Na een paar passen ben je al uitgeput. Geen wonder dat de meest luxe woonwijken in de Peruaanse steden zich altijd het laagst bevinden. Op de heuvels staan de krotten. De eerste grote stad op weg naar Ayacucho is Huancayo: een grauwe stad met zo’n 300.000 inwoners. Het trage licht valt zinloos zacht op de vervallen gevels. Groepjes mensen zitten onder afdakjes in een dunne soep met de onvermijdelijke kipresten te roeren terwijl de colectivos (kleine busjes die als openbaar vervoer fungeren) rumoerig hun spoor door de dichte lucht trekken. Het is moeilijk te zeggen of alle nattigheid opstijgt van de aarde of neerdaalt vanuit de hemel.
De tocht vanuit Huancayo maakt evenwel veel goed, zeker nadat naast me een oude, zeer dikke en in zo’n veertig rokken gehulde Indiaanse heeft plaatsgemaakt voor een vriendelijk electriciteitsmasten-reparateur die drie dagen vanaf het noorden onderweg is om klussen te verrichten in Ayacucho. De man maakt deze reis vaker en stelt me telkens gerust als we met de bus weer eens boven een onpeilbaar ravijn hangen. Dat schijnt niets bijzonders te zijn. Door de hevige regenval zijn hele stukken van de toch al akelig smalle bergweggetjes weggeslagen. Je kunt beter niet aan de raamzijde zitten, want de momenten waarop je alleen maar afgrond ziet, en geen weg, zijn niet te tellen. Als er een tegenligger komt, zet de chauffeur zijn bus in de achteruit en jakkert een heel stuk doodleuk weer terug. Als het moet in het donker. Bij elke bocht staat wel een nisje met een Maria-afbeelding en een kruis met daarop de datum waarop een bus of vrachtauto naar beneden is gedonderd. De chauffeur slaat een kruisje, maar gaat er niet langzamer om rijden. Voor hem hangt een kleurrijk vaantje met de tekst Jesús es mi copiloto. Laten we het hopen.
Het ene moment rijden we door hoogvlakten terwijl we worden nagestaard door lama’s, over besneeuwde passen met formidabele vergezichten, om daarna ineens in een Grand Canyon-achtige omgeving met cactussen terecht te komen. De bus rijdt even later weer door rivieren of onder watervallen door in subtropische valleien. De illusie dat onze op het dak vastgesnoerde bagage droog aankomt, houdt allang geen stand meer. Naarmate we Ayacucho dichter naderen, worden de politiecontroles steeds scherper en frequenter. Elk dorp, hoe klein ook, heeft zijn uitgebreide politiepost. Kleine jongetjes met enorme geweren sommeren een ieder naar buiten te gaan en zich te legitimeren. Alles wordt geregistreerd: waar je vandaan komt, waar je naar toe gaat en waarom, wat je beroep is. Als een toerist van een andere bus onder het kopje beroep ‘terrorista’ invult, wordt deze grap niet echt gewaardeerd; zijn spullen worden binnenstebuiten gekeerd. Mannen schreeuwen, honden blaffen. Als de electriciteitsman mijn verschrikte gezicht ziet, legt hij me uit dat deze controles inmiddels doodnormaal zijn. Ook al is het niet een echt een prettig gezicht, ze hebben er wel voor gezorgd dat het terrorisme hier geen poot meer aan de grond kan krijgen, zo zegt hij. Het is volgens hem het enige goede dat president Fujimori op zijn geweten heeft.
En zo vervolgt de bus zijn glibberige pad weer. De tijd wordt tot in het absurde opgerekt: over een paar kilometer doe je enkele uren en de bus stopt op steeds eendere plekken met steeds dezelfde mensen en steeds hetzelfde voedsel: rijst met kip. Alles, ook de tijd, lijkt hier rondjes te draaien. Uiteindelijk bereiken we dan toch Ayacucho, een plaats die bol staat van de historie. Zo is vlakbij de grote slag in 1824 tegen de Spanjaarden gewonnen onder leiding van generaal Sucre, die in dienst stond van de bevrijder Bolívar. Op deze plek – een uitgestrekte, heuvelachtige vlakte – staat een massief Oostblok-achtig monument waarop de heldendaden van de overwinnaars breeduit staan uitgemeten. Zo’n anderhalve eeuw later ontstond aan de universiteit de linkse guerrilla-groep het Lichtend Pad.
Eigenlijk kan er niet zo heel veel veranderd zijn sinds de zestiende eeuw, nadat de Spanjaarden hier in 1539 neerstreken. Een prachtige, witte stad met een, althans in de droge tijd, ideaal klimaat. Op het grote plein zoeken wat toeristen tevergeefs naar een terras; Peruanen zitten liever binnen in ongezellige, donkere lokalen. Als het enkele uren later weer begint te regenen, vluchten we, ver buiten het centrum, een rumoerige bouwval binnen. Op de lemen vloer lopen cavia’s; mannen en vrouwen zitten aan hun grote potten zurige maïs-bier. We worden getrakteerd op de specialiteit van het land: cuy – gebakken cavia. Op de vloer is het nu rustig, voor de rest is het een lawaai van jewelste aan de lange tafels. Zelfs het trieste, obscure ruisen van de regen klinkt hier vrolijk. Zoals altijd gaat het gesprek over God, voetbal en politiek.
Juni 1997
Eerste publicatie bij Spaans Leren: oktober 1998. Eerder gepubliceerd op een persoonlijke website, waar je uiteenlopende artikelen over reizen, kunst en filosofie vinden kon. Tegenwoordig is Laurens Verhagen hoofdredacteur van de nieuwssite Nu.nl
Stierengevechten. In onze noordelijke ogen zijn er weinig barbaarsere beelden van dierenmishandeling dan dit Iberische spektakel. Bevlogen tegenstanders proberen aan deze praktijk via de politiek en emotionele acties een einde te maken, terwijl de aficionados even emotioneel proberen aan te tonen dat het bij de corrida om meer gaat dan het publiekelijk doden van een stier. (1998)
Toro de lidia
De Nederlandse tegenstanders van het stierengevecht hebben een illustere voorganger: de eerste en enige paus die ons land ooit heeft voort gebracht, Adrianus VI. Toen deze in 1521 tot zijn verbazing gekozen werd, trof hij in zijn Vaticaanse hofhouding o.a. een aantal stierenvechters aan, in dienst om het Romeinse publiek regelmatig te vermaken met een gevecht. Hij ontsloeg ze onmiddellijk, wat zijn populariteit geen goed deed. Zijn opvolger nam ze trouwens meteen weer in dienst. Tijdens de Spaanse overheersing werden ook in de Nederlanden z.g. stierenjachten gehouden. Hiervoor maakte men dan gebruik van gewone huisrunderen.
Ondanks het overbekende beeld van de zwarte vechtstier, gepopulariseerd door de enorme ijzeren stieren van de sherrybaronnen Osborne, onderscheidt het beest zich juist door enorm veel kleurvariaties en hoorn- en lichaamsvormen. Feitelijk een hutspot van ooit inheemse runderen die het schiereiland in de loop der eeuwen bevolkt hebben. Visueel doet het denken aan wat we hier op onze veestukken van voor 1880 zien. En het bijzondere is dat het Spaans voor al deze kleuren en vormen eigen woorden heeft, zodat exact aangeduid kan worden over welke eigenschappen en vormen men het heeft. Om een idee te geven; de kleuren van de toro de lidia worden verdeeld in tien hoofdgroepen met weer ettelijke subgroepen. Een groot verschil met onze drie ‘oorspronkelijke’ hoofdgroepen: zwart, zwart-wit en rood-wit.
Het in 1552 publiceren van een officiële lijst van oor- en brandmerken beschouwt men als het begin van de vechtstier-fokkerij. De eerste bekende fokker was ene Blas Jijón. Zijn naam is nog steeds verbonden aan de vlammend, dieprode kleur die van tijd tot tijd bij de dieren opduikt, te danken aan zijn keus voor brandrode beesten uit de provincie La Mancha. Ondanks dat deze runderen niet meer als zuivere groep bestaan, blijft zo toch een verwijzing naar de oorspronkelijke afstamming aanwezig.
Als oudste kudde, na de uitgestorven Jijones, wordt die van Cabrera beschouwd. Van hen is sprake sinds 1745, met als eigenaar José Cabrera uit Utrera bij Sevilla. Kenmerkend voor deze dieren is hun vermogen onderscheid te maken tussen de cape en de man er achter, wat hen een gevaarlijk tegenstander maakt bij een confrontatie. Vandaag de dag is deze eigenschap nog aanwezig bij de gevreesde Miura’s, grote, lange stieren met een enorme energie. Kenmerkende kleuren: zwart, grijs, roodgespikkeld en soms bruinen met een z.g patrijzenoog.
Kudde twee is die van de gebroeders Gallardo. In 1750 samengesteld door de priester Don Bernaldo de Quires, die hiertoe stieren uit Navarra kruiste met koeien uit Andalusië. Dominante kleuren: zwart, zwart-grijs en kastanje. Huidige afstammelingen zijn de beroemde stieren van Pablo Romero.
Als derde stam beschouwt men de Vazquena’s. Rond 1757 ‘opgericht’ door Don Vázquez uit, alweer, Utrera. De oorspronkelijke dieren werden al snel gekruist met vier andere soorten zodat van het oorspronkelijke type niets overbleef. Deze overdaad aan voorouders veroorzaken bij de afstammelingen een breed kleurenspectrum, variërend van zwart naar wit, koffiekleurig en alles daar tussen.
De laatste groep is die van Vistahermosa, daterend uit 1775, ook weer uit Utrera. Over het jaartal wordt gediscussierd omdat een eerste ‘set’ stieren door een eerdere eigenaar al in 1733 in de arena van Sevilla werd gepresenteerd. Directe afstammelingen zijn de huidige Urquijo stieren. Door eeuwenlang een uiterst zorgvuldig fokbeleid te hanteren met zo goed als geen ‘vreemd’ bloed zijn de kleuren beperkt: zwart, donkergrijs en kastanje.
Er zijn er natuurlijk meer geweest, maar men laat groepen die niet duidelijk aanwijsbare invloeden hebben of nog te ‘jong’ zijn, buiten beschouwing. Het zou voor de lijn van dit verhaal ook te veel worden om diepgaand op deze materie in te gaan.
Welke stieren nog wel vermeldenswaard zijn, zijn de Morucho’s. Afkomstig uit de omgeving van Salamanca, geen zuivere bravos door een te hoog gehalte aan ‘gewoon’ rund in hun afstamming. Deze dieren worden vanwege hun gehardheid en weinig veeleisende karakter gebruikt voor de ruwe dorpsfeesten.
Bij bovenstaande opsomming is duidelijk te zien, dat de bakermat van de vechtstier-fokkerij in het hete zuid-Spanje, in Andalusië ligt. Nog steeds komen daar de meeste, en beste stieren vandaan en men gelooft ook dat de barre omstandigheden waarin de dieren moeten leven, weinig water en voedsel, de omstandigheden zijn waardoor een rund met dit karakter zich heeft kunnen ontwikkelen. Als een stier een Spaanse (of Portugese, of Mexicaanse, of Columbiaanse) arena binnen dendert, is hij doorgaans tussen de drie en vijf jaar oud en weegt hij tussen de vier- en zeshonderd kilo. Niet zo zwaar dus vergeleken met het ons bekende slachtvee.
Deze stier is een fokproduct, toegesneden op de eisen van de tegenwoordige stierenvechters. Wendbaar, kort dus, met een karakter en uithoudingsvermogen geschikt om het het vijftien minuten durende gevecht vol te houden en te doen wat er van hem gevraagd wordt.. Niet meer te vergelijken met het beest dat vijftig of honderd jaar geleden in de arena stond.
Leg een ets van de 19e eeuwse Spaanse schilder Goya naast een foto van een huidige toro de lidia en het verschil is duidelijk zichtbaar. De opgerichte horens zijn nu laag en naar voren, het lichaam is anders geproportioneerd en ook het temperament is niet meer zoals dat bij de stieren uit Goya’s tijd gebruikelijk was. Zelfs een stier uit de tijd van Hemingway, de jaren ‘30, verschilt hemelsbreed van wat er nu in arena’s te zien is. Deze ‘oude’ vormen zijn nog terug te vinden in een restant van het originele Portugese vechtras , de toiro da terra, die op de rand van uitsterven staat, en bij de zwarte halfwilde runderen uit de Rhone-delta. Ook een vechtstier moet beantwoorden aan de wetten van vraag en aanbod. En aan de mores van de tijd. Voor veel aficionados is het heden een dieptepunt in de geschiedenis van de corrida en ziet men de toekomst somber in. Niet alleen vanwege de stijgende populariteit van het spektakel, dat ten koste gaat van de kwaliteit van de aangeboden stieren, maar ook door het teveel tegemoet komen aan de eisen van de toreros, die er uiteraard baat bij hebben de arena ongeschonden te verlaten en steeds kleinere en handzamere tegenstanders vragen. Voor een dier dat gewend is aan de extreme omstandigheden en het karige voedselaanbod van zijn geboortegrond zijn dit soort zaken funest. Het resultaat is een al na tien minuten naar adem snakkende stier, geveld door een teveel aan vet en kilo’s. Ook de z.g. wilde toro bravo blijkt niet anders dan onze gedomesticeerde runderen. Een product geschikt voor het doel wat men gesteld heeft met een nauwkeurig afgepaste hoeveelheid vrijheid om oude emoties en verlangens in leven te houden.
Want het blijft indrukwekkend en ongrijpbaar: een woedende toro bravo, de staart geheven, de nek strak gezwollen van drift, een oervorm, vol zelfvertrouwen de arena instormend, het speeksel in lange slierten achter zich aan trekkend, de kop snel heen en weer bewegend, klaar om elke vijand onmiddellijk aan te vallen. Ons.
Amsterdam, mei 1998
Monica Rotgans is een door het Iberisch schiereiland gefascineerde schilder en beeldhouwer. Ze organiseert schilderreizen naar Zuid-Spanje. Daarnaast is zij auteur bij verschillende magazines en docent schilderen. Zij publiceerde o.a. Toros y Tierras en het prachtige schilderboek Verf.
Verf – Monica Rotgans
Cazuela de sardinas, verse sardientjes van de markt in de oven. In een half uurtje klaar!
Los ingredientes:
La preparación:
Serveren met salade, brood en een koude witte wijn of koude rosado.
¡Qué aproveche!
Spanje wordt gewoonlijk niet geassociëerd met zware aardbevingen en spectaculaire vulkaanuitbarstingen. Toch werd in de 15e eeuw het stadje Olot aan de voet van de Catalaanse Pyreneëen geheel verwoest door een aardbeving en nog maar 4000 jaar geleden waren de vele vulkanen in de streek nog actief. (1998)
Wanneer de toerist na een vermoeiende reis over de Franse tolwegen bij La Jonquera de Spaanse grens passeert, liggen de stranden van Roses, Lloret de Mar, Blanes en Sitges verleidelijk te wachten achter de achtereenvolgende salidas van de autopista. Menig toerist zal op die stranden neerploffen, om er vervolgens de eerstkomende twee weken niet meer vandaan te komen. Een enkeling zal op een bewolkte dag nog wel eens de historische stad Girona bezoeken of het fascinerende museum van Salvador Dalí in Figueres bekijken.
Niet ver voorbij deze beide steden in westelijke richting ligt het stadje Olot, temidden van de slapende vulkanen van de Garrotxa. De weg ernaar toe passeert eerst de historische stadjes Besalú en het spectaculair op een rotswand gelegen Castellfollit de la Roca. Als men niet weet dat er in het omringende landschap vele vulkanen liggen, rijdt men er gemakkelijk aan voorbij. Nergens is een karakteristieke rookpluim te zien en ook zijn de typische kegelvormen goed verborgen onder de weelderige begroeiing en tussen de omringende even hoge bergtoppen. Eenmaal aangekomen in Olot loop je ook gemakkelijk voorbij aan de vulkaan die midden in het dorp ligt! Het zijn dan ook geen geweldig hoge vulkanen en ook de diameter is betrekkelijk gering. Toch zijn het geen onschuldige vulkanen. Ze worden door de geologen als slapend beschouwd, omdat de laatste uitbarsting nog maar (!) 4000 jaar geleden plaatsvond en dat is naar geologische maatstaven slechts 5 minuten geleden!
Dit bedenkend en met enig gevoel voor dramatiek wordt het lopen over de bodem van de Volcà de Montsacopa midden in Olot plotseling tot een gewaagde vuurloop. De bewoners van het stadje worden gelukkig niet geplaagd door dergelijke gevoelens, want pal tegen de vulkaanwand is een klein huizenwijkje gebouwd. Het hele stadje zou natuurlijk geen schijn van kans hebben als het weer eens tot een uitbarsting mocht komen.
Vanuit Olot, waar trouwens een vulkaanmuseum gevestigd is, kan men, -al dan niet georganiseerd, tochten ondernemen naar de andere vulkanen van de Garrotxa. Zelfs een ballonvlucht erover heen schijnt mogelijk te zijn. In de richting van Santa Pau komt men o.a. de Volcà de Santa Margarida tegen, één van de mooiste. Een wandeling ernaartoe en bovenop de kraterwand kost hooguit een uur en wordt goed aangegeven door routebordjes. Ook vind je overal bordjes met tekst en uitleg over het ontstaan van de vulkanen en de soorten die door de geologen worden onderscheiden. Helaas helpt je de cursus Spaans die je hebt gevolgd niet heel veel, want alle borden zijn in het Catalaans opgesteld, de taal die zo veel lijkt op het Spaans, maar toch heel anders klinkt en een sterk afwijkende grammatica heeft.
Neem nu de Volcà de Santa Margarida: volgens de geologen wordt deze vulkaan gekenmerkt door een dinamisme mixt estrombolià i freatomagmàtic. Dit proberen uit te spreken levert al bijna een vulkaanuitbarsting op! Eenmaal, na een zeer steile klim over een zeer zwart zandpad, bovenaan op de kraterrand aangekomen, ontvouwt zich het panorama van een nagenoeg perfect ronde omloop, dichtbegroeid met bomen en vrij steil aflopend naar een niet zo heel erg diepe krater, waar op de bodem in het midden, -hoe kan het anders in dit land, een kerkje is gebouwd. Niet eens zo’n erg oud kerkje, want de vorige is nog vernietigd bij de grote aardbevingen van 1427.
Beneden, rond het kerkje is een groepje schoolkinderen bezig met een prueba de sobrevivencia. Ik zei het al; je moet een beetje gevoel voor dramatiek hebben om het je allemaal te kunnen voorstellen. De monitora van de kinderen is in ieder geval in geen velden of wegen te bekennen en navraag leert dat zij op de camping van Santa Pau de barbacoas van die avond aan het voorbereiden is. Van boven op deze krater leiden de bordjes naar de volgende vulkaan, maar wij houden het voor gezien en keren terug naar de auto. Als je eenmaal één of twee slapende vulkanen hebt gezien, dan heb je ze allemaal gezien en ook wij moeten op tijd terug zijn voor de barbacoas van die middag.
Amsterdam, augustus 1998
Lee más… (es)
Een Spaanse variant op onze mosselen. Een tapa, die je in Spanje ook in de zomer, als de r niet in de maand is, kunt eten op ieder terrasje.
La elaboración:
Tip: Het groentemengsel een tijdje van tevoren maken, zodat alle smaken goed op elkaar inwerken.
¡Buen provecho!
Woensdag 7 oktober, 16.35-17.00 uur op Ned 2: Op z’n Spaans (afl. 5)
Ciudad de las Artes y las Ciencias
Valencia is de op twee na grootste stad van Spanje. Het is de hoofdstad van de gelijknamige provincie en van de autonome regio. De stad ligt aan de rivier de Turia, die uitmondt in de Middellandse Zee. Valencia werd gesticht door de Romeinen en is de geboorteplaats van de paella, een van de bekendste gerechten uit de Spaanse keuken. Men ziet in de uitzending hoe een paella gemaakt wordt. De stad wordt ook door toeristen druk bezocht. Het stadspark met de schitterende gebouwen van de Ciudad de las Artes y las Ciencias (waaronder het muziekpaleis Palau de les Arts Reina Sofia van architect Santiago Calatrava) is een enorme trekpleister. In de provincie Valencia zijn citrusplantages zo ver het oog reikt. Wanneer de sinaasappelbomen in bloei staan, is de lucht vervuld van een betoverende geur. De kuststrook ten zuiden van Valencia wordt wel de Costa del Azahar, kust van de oranjebloesem, genoemd. Men zegt dat zeelui de geur tot op een afstand van tien zeemijlen van Valencia kunnen ruiken. Traditioneel worden elk jaar op 19 maart de fallas gevierd, ter ere van St. Jozef. Elke buurt maakt voor het festival zijn eigen falla. Dit is een enorme pop van papier maché, volgestopt met vuurwerk. Al deze fallas vormen eerst een grote parade en worden daarna massaal verbrand door het afsteken van het vuurwerk. Een oorverdovend spektakel.