Sommige plekken in Peru, zoals Cuzco, worden ieder jaar weer bedolven onder een stroom toeristen. De Centrale Andes bleef hierbij tot voor kort sterk achter, mede omdat het gebied jarenlang, met name in de jaren ’80, werd geteisterd door het terrorisme van het Lichtend Pad. Ook wat betreft de bereikbaarheid is er nog veel in te halen. Maar misschien heeft juist daarom een stad als Ayacucho nog nauwelijks iets van haar koloniale grandeur en authenticiteit verloren. (1997/1998)

Perú
Ik ga vanavond aan God vragen waarom Peru en Nederland zo ver uit elkaar liggen.
De drie mannen met wie we aan een tafeltje zijn beland, grijnzen ons breed aan. Na elke uitgesproken zin worden we op de schouders getimmerd en omhelsd. Unieke vrienden zijn we, nee, broeders zelfs. Ze zijn straalbezopen, wat om twee uur ‘s middags geen uniek beeld is in een willekeurige bar (betonnen vloer, grote flessen bier op tafel, afgekloven kippenbotten op de vloer en een tv die hard aanstaat) in Peru. We zijn in Ayacucho, in het gebied dat de ‘Centrale Andes’ wordt genoemd en dat ten noorden van Peru’s meest toeristische plaats Cuzco ligt.
Sinds enkele jaren is Ayacucho enigszins een plaats van betekenis voor de westerse toerist gaan worden. Daarvoor had de plaats slechts bekendheid als de geboorteplaats van de guerrilla-beweging ‘het Lichtend Pad’ (Sendero Luminoso). Ontstaan vanuit de universiteit, breidde de beweging haar activiteiten steeds verder uit en werd hoe langer hoe gewelddadiger. Vooral in de jaren ’80 was het gehele gebied zeer onveilig. Ook toeristen werden het slachtoffer van aanslagen. Het beste wat je in die tijd kon gebeuren, nadat je bus was tegen gehouden, was een ‘vrijwillige bijdrage’ voor de strijd te geven. Tot begin jaren ’90 raadt elke reisgids een ieder dan ook sterk aan zich zo ver mogelijk van dit terroristische broeinest te houden.
Inmiddels is er veel veranderd. President Fujimori leidt het land met dictatoriale hand en de strijd tegen het terrorisme heeft de hoogste prioriteit. Deze politiek legt in ieder geval het toerisme geen windeieren, want de belangstelling voor de Centrale Andes begint toe te nemen nadat het Lichtend Pad in 1992 beslissende klappen kreeg toegediend toen zijn leider en oprichter Guzman in Lima werd opgepakt.
Fujimori’s eigen populariteit is voor een groot deel gebaseerd op zijn hardhandig optreden tegen guerrilla-bewegingen. Nadat op 22 april van dit jaar de Japanse ambassade in Lima werd bestormd en de leden van de MRTA (Movimiento Revolucionario Tupac Amaru, actief vanaf de tachtiger jaren en toentertijd altijd in de schaduw opererend van het veel bekendere Lichtend Pad) waren gefusilleerd, stegen de populariteitscijfers van de president naar grote hoogten.
In Ayacucho doet weinig herinneren aan een gewelddadig verleden; het pittoreske plaatsje (gelegen op ruim 2700 meter, 100.000 inwoners) ademt de sfeer van iedere andere goed geconserveerde ex-koloniale stad in Zuid-Amerika. Met in het midden het centrale plein (dat altijd Plaza de Armas heet) met wat palmen, een zestiende-eeuwse Spaanse kathedraal, en om het plein de koloniale gebouwen met de typerende booggalerijen, zodat je altijd beschermd bent tegen zon en regen. En regenen doet het in deze tijd (januari) van het jaar. Steevast verandert de strak blauwe lucht aan het eind van de middag ineens in een dreigend vooruitzicht. De regen hangt als een donkere hoop in de lucht, alles lijkt één moment de adem in te houden en dan versplintert de dag met grote kracht. De steile steegjes veranderen in kolkende beken, stof en vuil worden meegesleurd en de geur van vette kip en afval maakt plaats voor die van de regen. De bevolking kijkt er niet van op of om en gelaten sjokken de meesten tot aan de kuiten door de nattigheid. Op hun hoeden staat een plasje water. Regentijd.
Aan de andere kant van de Andes, aan de kust, is het in deze periode juist mooi weer als voor een paar maanden de kleffe zeemist het veld ruimt. Onze reis begint hier, in de hectische hoofdstad Lima. Na twee dagen onder de felle zon te zijn klemgereden door hordes oude Kevers, is het tijd om de wijk naar rustiger en koeler gebieden te nemen. We kiezen op tamelijk irrationele gronden een van de vele busmaatschappijen uit. De bijrijder die het hardst aan je arm trekt, krijgt de meeste passagiers. Ondanks de telkenmale herhaalde beloften dat we ‘nu’ weggaan, zitten we zeker twee uur in een psychopatische hitte in onze bus te wachten tot we de Andes ingaan. De stank is ondragelijk, want de bus staat in een van de uitgestrekte sloppenwijken van Lima. Tot zover het oog reikt, verrijzen bergen vuilnis waarop de kartonnen onderkomens zijn geplaatst. Kleine kinderen en stokoude vrouwen proberen de inzittenden van de bus ondertussen van alles te slijten, van de nationale frisdrank Inca-kola – een mierzoete, geel-groen fluorescerende substantie – tot kolven maïs, van kip tot kauwgom. De bus rijdt uiteindelijk ongeveer loodrecht omhoog de Andes in. Als we op een pas van boven de 5000 meter wegens pech moeten halt houden en wat rondlopen in dit desolate landschap, merken we voor het eerst de verschijnselen van de beruchte hoogteziekte op: duizeligheid, misselijkheid en hoofdpijn. Na een paar passen ben je al uitgeput. Geen wonder dat de meest luxe woonwijken in de Peruaanse steden zich altijd het laagst bevinden. Op de heuvels staan de krotten. De eerste grote stad op weg naar Ayacucho is Huancayo: een grauwe stad met zo’n 300.000 inwoners. Het trage licht valt zinloos zacht op de vervallen gevels. Groepjes mensen zitten onder afdakjes in een dunne soep met de onvermijdelijke kipresten te roeren terwijl de colectivos (kleine busjes die als openbaar vervoer fungeren) rumoerig hun spoor door de dichte lucht trekken. Het is moeilijk te zeggen of alle nattigheid opstijgt van de aarde of neerdaalt vanuit de hemel.
De tocht vanuit Huancayo maakt evenwel veel goed, zeker nadat naast me een oude, zeer dikke en in zo’n veertig rokken gehulde Indiaanse heeft plaatsgemaakt voor een vriendelijk electriciteitsmasten-reparateur die drie dagen vanaf het noorden onderweg is om klussen te verrichten in Ayacucho. De man maakt deze reis vaker en stelt me telkens gerust als we met de bus weer eens boven een onpeilbaar ravijn hangen. Dat schijnt niets bijzonders te zijn. Door de hevige regenval zijn hele stukken van de toch al akelig smalle bergweggetjes weggeslagen. Je kunt beter niet aan de raamzijde zitten, want de momenten waarop je alleen maar afgrond ziet, en geen weg, zijn niet te tellen. Als er een tegenligger komt, zet de chauffeur zijn bus in de achteruit en jakkert een heel stuk doodleuk weer terug. Als het moet in het donker. Bij elke bocht staat wel een nisje met een Maria-afbeelding en een kruis met daarop de datum waarop een bus of vrachtauto naar beneden is gedonderd. De chauffeur slaat een kruisje, maar gaat er niet langzamer om rijden. Voor hem hangt een kleurrijk vaantje met de tekst Jesús es mi copiloto. Laten we het hopen.
Het ene moment rijden we door hoogvlakten terwijl we worden nagestaard door lama’s, over besneeuwde passen met formidabele vergezichten, om daarna ineens in een Grand Canyon-achtige omgeving met cactussen terecht te komen. De bus rijdt even later weer door rivieren of onder watervallen door in subtropische valleien. De illusie dat onze op het dak vastgesnoerde bagage droog aankomt, houdt allang geen stand meer. Naarmate we Ayacucho dichter naderen, worden de politiecontroles steeds scherper en frequenter. Elk dorp, hoe klein ook, heeft zijn uitgebreide politiepost. Kleine jongetjes met enorme geweren sommeren een ieder naar buiten te gaan en zich te legitimeren. Alles wordt geregistreerd: waar je vandaan komt, waar je naar toe gaat en waarom, wat je beroep is. Als een toerist van een andere bus onder het kopje beroep ‘terrorista’ invult, wordt deze grap niet echt gewaardeerd; zijn spullen worden binnenstebuiten gekeerd. Mannen schreeuwen, honden blaffen. Als de electriciteitsman mijn verschrikte gezicht ziet, legt hij me uit dat deze controles inmiddels doodnormaal zijn. Ook al is het niet een echt een prettig gezicht, ze hebben er wel voor gezorgd dat het terrorisme hier geen poot meer aan de grond kan krijgen, zo zegt hij. Het is volgens hem het enige goede dat president Fujimori op zijn geweten heeft.
En zo vervolgt de bus zijn glibberige pad weer. De tijd wordt tot in het absurde opgerekt: over een paar kilometer doe je enkele uren en de bus stopt op steeds eendere plekken met steeds dezelfde mensen en steeds hetzelfde voedsel: rijst met kip. Alles, ook de tijd, lijkt hier rondjes te draaien. Uiteindelijk bereiken we dan toch Ayacucho, een plaats die bol staat van de historie. Zo is vlakbij de grote slag in 1824 tegen de Spanjaarden gewonnen onder leiding van generaal Sucre, die in dienst stond van de bevrijder Bolívar. Op deze plek – een uitgestrekte, heuvelachtige vlakte – staat een massief Oostblok-achtig monument waarop de heldendaden van de overwinnaars breeduit staan uitgemeten. Zo’n anderhalve eeuw later ontstond aan de universiteit de linkse guerrilla-groep het Lichtend Pad.
Eigenlijk kan er niet zo heel veel veranderd zijn sinds de zestiende eeuw, nadat de Spanjaarden hier in 1539 neerstreken. Een prachtige, witte stad met een, althans in de droge tijd, ideaal klimaat. Op het grote plein zoeken wat toeristen tevergeefs naar een terras; Peruanen zitten liever binnen in ongezellige, donkere lokalen. Als het enkele uren later weer begint te regenen, vluchten we, ver buiten het centrum, een rumoerige bouwval binnen. Op de lemen vloer lopen cavia’s; mannen en vrouwen zitten aan hun grote potten zurige maïs-bier. We worden getrakteerd op de specialiteit van het land: cuy – gebakken cavia. Op de vloer is het nu rustig, voor de rest is het een lawaai van jewelste aan de lange tafels. Zelfs het trieste, obscure ruisen van de regen klinkt hier vrolijk. Zoals altijd gaat het gesprek over God, voetbal en politiek.
Juni 1997
Eerste publicatie bij Spaans Leren: oktober 1998. Eerder gepubliceerd op een persoonlijke website, waar je uiteenlopende artikelen over reizen, kunst en filosofie vinden kon. Tegenwoordig is Laurens Verhagen hoofdredacteur van de nieuwssite Nu.nl