»
B
A
R
R
A

L
A
T
E
R
A
L
«
El español de EEUU y el catalán
sep 29, 2009 por Hans Konings

Diez de cada cien páginas de Internet en español se han creado en Estados Unidos

Twee interessante berichtjes vandaag: één op de tien webpagina’s, geschreven in het Spaans, is afkomstig uit de Verenigde Staten, waar geen officiele landstaal bestaat en waar het Spaans de tweede meest gesproken taal is. En in sommige regio’s zelfs de eerste. Ondertussen is het Spaans de derde taal van het web geworden met ca. 131 miljoen hispanohablantes.
(fuente: elpais.com)

Lee más… (es)

El catalán, el octavo idioma del mundo con mayor actividad en los blogs

Het andere berichtje meldt dat de tweede taal van Spanje, het Catalaans, ook aan een opmars bezig is en nu de achtste plaats inneemt onder de weblogschrijvers.
(fuente: lavanguardia.es)

Lee más… (es)

¡Nueva York, Nueva York!
sep 28, 2009 por Hans Konings

¡We speak English too!

Niet alleen in Spanje, maar ook elders op deze planeet wordt Spaans gesproken. Op naar New York dus, een stad waar naar verluidt het Engels steeds meer verdrongen wordt door het Spaans. (1998)

Rascacielos

Rascacielos

Zelfs als je nog nooit voet in New York hebt gezet, waan je je er direct thuis. Door de vele films, tv-series en tijdschriftreportages heb je ook niet de indruk in een echt vreemde stad terecht gekomen te zijn. Indrukwekkend is New York wel. De gebouwen zijn er echt heel hoog, de architectuur is fantastisch mooi en soms verbazingwekkend, het zuidelijke licht (New York ligt op dezelfde breedtegraad als Madrid) is schitterend. Maar je verbaast je vooral over de dingen die net anders zijn dan ze altijd voorgespiegeld worden.

Het is er eigenlijk helemaal niet zo druk en opgejaagd als de media ons willen doen geloven. Integendeel, ik heb de mensen er erg relajados gevonden en erg gemakkelijk in de omgang. De New Yorker is een zeer openhartig en vriendelijk mens en heeft voor iedere vraag een antwoord klaar. Ook vertelt hij je met trots en rappe humor over zijn stad, waar hij soms zelf nauwelijks langer dan drie maanden woont. Gewoon Engels hoor je er bijna niet; iedereen heeft wel een accent. Spaans hoor je er des te meer. Het is beslist mogelijk er zowat iedere winkel binnen te stappen en je in het Spaans te richten tot de mensen. Zelfs als de mensen geen Hispanics of latinos zijn, spreken ze Spaans. Politieagenten staan in het Spaans bij openbare telefoons met het bureau te bellen, er zijn minstens twee lokale Spaanstalige tv-stations met schitterende shows, waarop alle bekende en minder bekende producten, van McDonalds tot Jeep in het Spaans worden aangeprezen.

Op een van die reclameboodschappen verscheen een onmiskenbaar Mexicaans type die, staande bij een benzinestation van het merk Gasetería, trots vertelde dat ie Latino was en het bewijs dat je als Latino al je dromen kon bereiken in dit geweldige land en deze geweldige stad. Want kijk nou maar eens naar dit prachtige benzinestation. Het was er een van een hele keten benzinestations over heel New York verspreid, waar een ieder van harte welkom was. Het was waar, de Gaseterías zag je inderdaad overal in Manhattan. Het wekte dan ook geen verbazing meer toen ik een briefje op een winkeldeur geplakt zag met de mededeling “We speak English too”. Binnen kon je er koffers en tassen kopen, zeer belangrijk in een stad, waar iedereen altijd en overal met spullen loopt te sjouwen. In zulke winkels betaal je met pesos, terwijl er dollars bedoeld worden.

Escarabajo nuyorican, hecho en México

Escarabajo nuyorican, hecho en México

New York mag met recht de stad van de steekkarretjes genoemd worden. Iedereen loopt er goederen rond te slepen. Stapels dozen op een kar, rollen textiel onder beide armen, een enorme glasplaat tussen zuignappen geklemd. Zijn deze goederen van eigenaar gewisseld, in ruil voor een stapel groezelige pesos of een onleesbare krabbel op een afleverbon, dan wordt er een korte handdruk gegeven en met een vriendelijk “Take care” en “See you next time” gaat ieder weer zijn kant op. Ook wordt er overal, maar dan ook overal gebeld, niet met (anno 1998) gsm-telefoons zoals je verwachten zou, maar bij openbare, glimmend verchroomde telefooncellen, die nog het meest weg hebben van grote haardroogkappen. Al deze toestellen doen het kennelijk en je ziet er de mensen met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid op af lopen en zonder eerst te kijken of ie het wel doet, een munt in werpen en bellen. Zelfs politieagenten onderhouden zo contact met de collega’s of het bureau. Natuurlijk zie je de bestelauto’s van FedEx en UPS en de fietskoeriers, de mooiste brandweerauto’s en de taxis amarillos, hèt vervoermiddel voor wie het lopen moe is. En natuurlijk overkwam ons de grap van David Letterman dat een chauffeur de Fifth Avenue niet wist; omdat hij waarschijnlijk even lang in New York was als wij!

Internetten in New York zal ongetwijfeld heel betaalbaar zijn voor wie er woont, maar het huren van een computer in een Cybercafé teneinde er een paar e-mails te versturen, heeft me 20 pesos gekost tegen een koers van ruim 2 gulden de peso. Ieder Hollands tijdschrift dat zich Avenue, Cosmopolitan of Man noemt, citeert wel deze of gene beroemdheid die iedere week in New York even gaat eten in dit of dat restaurant waar natuurlijk ook Woody Allen z’n bagels haalt. Zo deden wij ook, onze espresso drinkend naast het onooglijke tentje in Little Italy (met recht “little” genoemd; ‘t stelt echt niks voor) waar begin jaren zeventig een capo di capi met mitrailleurkogels doorzeefd werd. En ook wij gingen salsa dansen op Broadway bij een club die Bayamo heet en waar men heerlijke chicharrones eten kan en die zich adverteert met Home of chino latino cuisine. ¿Qué? ¿Chino latino? Sí, señor, estamos en ¡Nueva York!

De gele taxi, het perfecte vervoermiddel in deze stad, leverde ons de mooiste anecdote op. Meestal staat er gelijk een voor je stil als je op straat je arm op steekt. Er is maar éen moment waarop dit beslist niet lukt…. als het regent èn spitsuur is. Dan wil heel Manhattan met de taxi. Na lang hengelen met de arm, zag ik eindelijk een taxi, waar net passagiers uitstapten. Ik liep op de chauffeur af, zo op het oog een authentieke Afro-American, en vroeg of ie ons mee wilde nemen. “No sir, ik neem niemand mee, want m’n werkdag zit erop en de auto moet terug.” Terwijl ik aan het soebatten was, kwam er een zeer verongelijkte man aanrennen, z’n business suit helemaal natgeregend, die met ruziestem beweerde het eerste recht te hebben, omdat ie al eerder stond te gebaren met z’n arm. De chauffeur keek ons allemaal aan en zei met een zucht: “OK, it’s against the rules, but you all get in.” De auto zette zich in beweging, zoals alleen een grote, met automaat uitgeruste, Amerikaan dat kan en voegde zich in het drukke verkeer op een manier, waar alleen New Yorkse taxichauffeurs het recht op hebben. De chauffeur zat als een road king achter z’n stuurwiel te zwijgen en zei pas na enige tijd met lijzig aangezette intonatie in z’n stem: “Yeah, the rain makes us all brothers!”

Amsterdam, juni 1998

Op zoek naar de tango
sep 17, 2009 por Vincent van Warmerdam

Martine Berghuijs, Anne Affourtit, Dries van der Post en Bennie Bartels zijn vier dansers die in 1997 naar Buenos Aires vertrokken om zich intensief met de tangodans bezig te houden. Als voorbereiding op hun dansvoorstelling OCHO, waarin de tango verbindingen aangaat met de moderne dans. Gitarist en componist Vincent van Warmerdam reisde in hun kielzog mee en liet zich bedwelmen door de dansende metropool Buenos Aires. (1997)

Vincent van Warmerdam - OCHO

Vincent van Warmerdam - OCHO

Het eerste dat me treft aan Argentinië is de geur van oud water en rottend hout die ik zo goed ken van Spaarndam, het geboortedorp van mijn vader. Het is alsof die geur in Nederland nauwelijks meer bestaat en ik ondervind de wonderlijke sensatie van de zintuiglijke herinnering.

Ook in het landschap om Buenos Aires heen, aan de oever van de Rio de la Plata, zie ik vertrouwde beelden; groen en plat, weilanden zover het oog strekt en dat doet het, lijkt het, verder dan in Nederland. Of is het de suggestie van afstand vanwege het ontbreken van maatgevende objecten; een boerderij, een kerktoren, niets daarvan. Koeien dat wel, in glanzend diepbruin of zwart en een enkele auto, achtergelaten op de plek waar ie het begaf.

Buenos Aires is een verwaarloosde stad, of prachtig verweerd, hoe je het wil noemen. Wij westerlingen zijn gek op die inmiddels bijna kitsch geworden sfeer van schilderachtige armoede. Het doet ons voor een moment verlangen naar een eenvoudige wereld, maar vervult ons tegelijkertijd met een prettig superioriteitsgevoel. Ik zou hier een verfwinkel beginnen, of misschien ook maar liever niet, want voor de aanschaf van verf is een zekere toekomstverwachting noodzakelijk en dat is hier het meest schaarse goed, begrijp ik. Toch beantwoordt deze miljoenenstad veel minder aan het beeld van de Latijns-Amerikaanse, door sloppenwijken gedomineerde metropool dan menigeen vooraf vermoedt. Hier heerste het oude Europa als lichtend voorbeeld. Er is een gedeelte van het centrum dat sprekend op Parijs lijkt, er zijn sporen te vinden van de Spaanse plattelands-architectuur en de industriële gebouwen zijn onmiskenbaar Engels, de bankgebouwen Amerikaans van omstreeks de eeuwwisseling en dat geeft precies aan wanneer de welvaart van Argentinië ooit begon. Italianen, Spanjaarden, Polen, Ieren en Duitsers werden met spotgoedkope stoombootreizen naar het industrialiserende Argentinië gelokt. Maar waar de welvaart begon, onstond ook de arbeidersklasse en de armoede. Spijt en heimwee vormen dan samen met de door de habanera beinvloede Europese muziekstijlen de basis van de tango. Typische grotestadsmuziek en uiteindelijk een van de weinige authentieke Argentijnse cultuuruitingen met de bandoneón (een door de Duitser Band ontwikkeld instrument dat bedoeld was als draagbare vervanger van het kerkorgel) als muzikaal vlaggescheepje.

En het is natuurlijk de tango die me naar Buenos Aires heeft gelokt, maar ik beken onmiddellijk; de tango heeft me nooit op het eerste gehoor aangesproken.
Het is mijn liefde voor Martine, een Nederlandse tangodanseres die me heeft doen zwichten voor de schoonheid van deze muziek. En mocht Martine mij ooit verlaten, waarvoor ik bid dat het nooit zal gebeuren, dan zal de tango mij pas echt raken, want voor de bittere weemoed is deze muziek speciaal uitgevonden.

Ontbijten doe je met koffie en medialunas in Ideal. Een confitería in een zijstraat van Corrientes; het Broadway van Buenos Aires. Een tearoom in een stijl zoals de Grand Cafés in Brussel en Antwerpen. De zaal is enorm, maar de tafeltjes zijn leeg. Het menu aan de wand, met vergeelde schuifletters, zoals vroeger bij ons in iedere snackbar, al jaren niet veranderd. Op de jasjes van de obers heeft een ijverige wasvrouw net als op de tafelkleedjes tevergeefs haar best gedaan. De Belle Epoque van Argentinië eindigt hier. Ooit was dit land rijk en leek de rijkdom onuitputtelijk en wat er precies fout gegaan is, weet niemand. Volgens V.S. Naipaul (in De terugkeer van Eva Perón) ontbrak het de Argentijnse samenleving aan een mensbeeld, een ideologie. Het peronisme kwam in de buurt van een ideologie, maar de tot de verbeelding sprekende trots van Eva Perón, die de rijkdom voor iedereen toegangelijk wilde maken, appelleerde meer aan het volkssentiment dan aan politieke idealen en Perón wist de, voornamelijk door zijn vrouw gemobiliseerde steun van het volk slechts te behouden door in minder dan acht jaar de rijkelijk gevulde staatskas tot op de bodem leeg te schrapen en om te zetten in een staatsschuld die Argentinië nooit meer te boven zou komen.

Op een eilandje in het deltagebied van Buenos Aires waar iedereen zijn vrije zondag doorbrengt, zag ik met tussenpozen van minder dan een minuut een middag lang pleziervaartuigen passeren van het allerergste soort, een monsterlijk uitvergrote speedboot, bijna hoger dan lang, een proletenbak kortom. Allemaal krek eender, zelfs het achteloos aan een sleeptouw meegevoerde waterscootertje leek wel verplicht. Het had er alle schijn van dat hier sprake was van een statussymbool. Er wordt echt wel geld verdiend, maar het probleem is meer waar het aan op gaat. In dit land van met rijkdom gelokte immigranten lijkt het hoogste goed te bewijzen dat men het beter heeft dan de ander.

Wat ik in Nederland nooit wilde, doe ik hier met plezier; ik dans de tango. Met Clara, net als ik Nederlands en ongeoefend. Het dansen geeft al meer inzicht dan de muziek alleen, waarom tango in Europa zo populair is. Er spreekt een verlangen uit naar een partner, een lichaam om vast te houden als tegenhanger van de solodans in de moderne clubs en houseparties. Sommigen zien in de tango een vorm van geformaliseerd overspel maar daarvoor is de dans met zijn hoge moeilijkheidsgraad uiteindelijk toch te belangrijk.

De salondans is een vorm die van de kant af gezien heel erg vast lijkt te liggen. Het tegendeel is waar. Het is een improviserende dans. Dat is alvast goed. Je moet op het moment zelf ideeën hebben, beslissingen nemen, leiding geven als man, creatief volgen als vrouw. Je moet elkaar verstaan met het lichaam. Spreken is niet verboden maar wel hoogst ongebruikelijk tijdens het dansen. Steeds na het einde van een nummer klinkt dan ook het geroezemoes en men zegt dat op dat moment de geheime afspraakjes gemaakt worden. Het ritueel om het dansen heen vergt enig aanpassingsvermogen. In de salons van Buenos Aires geeft de vrouw via oogcontact te kennen dat de man haar ten dans mag vragen. Dit is om de man de schaamte te besparen van een publieke afwijzing. Zo werkt dat in de macho-wereld. Het pijnlijke is dat de uitnodiging van de vrouw gewoon genegeerd kan worden. Het idee dat de man leidt in de dans en de vrouw volgt doet ons, met ons overontwikkelde gevoel voor sexuele gelijkwaardigheid, ook al tegensputteren. Toch is er een kwaliteit in die benadering; het schept orde en leidt niet tot onderdrukking, de kunst van de tangodans is om de vrouw zoveel mogelijk vrijheid te geven, om haar te laten bewegen.

Een Argentijnse tangolerares zei tegen een Hollandse leerlinge: het probleem met Europese vrouwen is dat jullie klagen dat jullie mannen niet kunnen leiden, maar het is veel meer dat jullie niet accepteren dat jullie moeten volgen. Dat is nu eenmaal de afspraak.

Er is nog een eigenschap van de Argentijnen die vloekt met het heersende beeld van de Latijns-Amerikaan; ze zijn bijzonder vriendelijk en die vriendelijkheid is oprecht. Ondanks hun armoede accepteren ze zelden fooi, meestal wordt die trots geweigerd en als je een halve peso niet klein hebt, zeggen ze dat het morgen wel komt, ook al was je er nooit eerder. Agressiviteit of vijandigheid is hen vreemd en de sfeer op straat is oneindig veel aangenamer dan in het gemiddelde Nederlandse dorp waar de xenofobie je vanachter de vitrage tegemoet komt. Hoewel ze problemen genoeg hebben, lijkt het alsof ze collectief afgesproken hebben daar anderen niet mee lastig te vallen. Of is het achterdocht die hen verhindert al te openhartig te zijn. Een echt gesprek heb ik niet gevoerd met een Argentijn en dat wijt ik niet alleen aan mijn zeer beperkte Spaans.
Misschien probeert de Argentijn dapper zijn verdriet te camoufleren. Het is tenslotte nog niet zo heel lang geleden dat terreur een dagelijks terugkerend fenomeen was. En de verontwaardiging is nog steeds groot over de algehele amnestie die werd verleend aan de beulen van de dictatuur. De wonden zijn nog vers maar het lijden wordt verborgen.

Kom je ooit in La Boca, de oorspronkelijk Napolitaanse havenwijk van Buenos Aires, laat dan het stadion van Boca Juniors waar Maradona ooit begon, links liggen en kijk uit naar een oud mannetje dat met een roze pluim de aandacht trekt. Ga onmiddellijk zijn restaurant Filicudi binnen en laat je niet afschrikken door het interieur dat sinds 1978 geen veranderingen meer heeft ondergaan, getuige de rits half vergane vlaggetjes van deelnemende landen aan het W.K. voetbal van datzelfde jaar. Het eten is matig, maar het gaat om de muziek. Er is een gitarist en een oude bandoneonist, een al even oud schattig mannetje zingt aan je tafeltje, zo dichtbij dat je de speekseldraden op zijn kunstgebit kunt tellen. Wees gerust, je hebt er alle tijd voor, soms een couplet lang. Maar het hoogtepunt van de avond is El Rey del Corcho. Hij ziet er uit als de bedrijfsleider van de Edah, in een wit pak en met een grote rooie neus. Met zijn handen roffelt hij op een kurk die hij tussen de tanden geklemd heeft. Zo onstaat een kort hol geluid, waarvan hij de hoogte met zijn mondholte kan beinvloeden.
Begeleid door gitaar klinken er virtuoze melodieën op uit het simpele kurkje. En als het applaus klinkt, lijkt de neus van de kurkkoning nog rooier, want ook die wordt geraakt in het vuur van het spel. Het gaat nog uren door in Filicudi en de zangers volgen elkaar op, de ene zingt nog hartverscheurender dan de ander. Het is prachtig om te zien hoe vooral de vrouwen aan de tafeltjes, jong en oud, zichzelf verliezen in de tangoteksten. Volver (terugkeren), recuerdo (herinnering) en corazón (hart) zijn de meestgebruikte woorden.

Ik spring al uit rijdende bussen en ik heb me laten knippen in een peluquería, maar een echte tanguero zal ik waarschijnlijk nooit worden. Ik ben uiteindelijk toch meer anglosaksisch georiënteerd. Ooit op doorreis in de V.S. heb ik op een hele mooie avond in een plattelandstent een set lang meegespeeld met een country & westernbandje van vijftigers, die hun sporen verdiend hadden met artiesten als George Jones, Tammy Wynette en Jerry Lee Lewis. A dream come true. En hoewel ik een heleboel van die songs niet kende, kon ik ze toch vrij makkelijk meespelen. Dat zou ik bij tango niet moeten proberen. Dat zou een nachtmerrie worden.
Er zijn zelfs momenten dat ik al die tangomuziek wel door de plee zou willen spoelen. Dat heen en weer gaan tussen die paar accoorden, die obligate fermaten en het eeuwige mineur. Ondanks al die virtuoze versieringen blijf ik maar dat Duitse er door heen horen. Het is elegant en licht maar soms ook oneindig burgerlijk. Als het al beelden oproept, dan zie ik de salons voor me. Het is precies het beeld dat je in elke tangoshow tussen de dansnummers door in allerlei varianten te zien krijgt, alsof de Argentijnen geen genoeg kunnen krijgen van hun Belle Epoque, die veel te kort geduurd heeft. Heer knoopt jasje zorgvuldig dicht, biedt dame de arm en terwijl ze naar de dansvloer lopen, bewegen hun monden geluidloos, een vlotte conversatie suggererend. Het operettegehalte is hoog. Eén zo’n scene is slaapverwekkend. Zie je er tien achter elkaar dan raak je langzamerhand gefascineerd door de cadans en de subtiele variaties. Kruipt dan onverwacht een vrouwenbeen over de pantalon omhoog om ter hoogte van de bilnaad van de man de kuit ondeugend heen en weer te bewegen, dan voel je een scheut van pure opwinding in de onderbuik.

Nee, modernisme in de tangowereld is een schaars goed.
Het was niet voor niks dat Astor Piazolla zich liet omringen door potige beschermers. Zijn vernieuwingen werden hem niet in dank afgenomen.
Piazolla en Pugliese, de groten van de vorige generatie zijn dood en begraven en hun opvolging niet testamentair geregeld, maar mede door de belangstelling uit Europa, Japan en de VS is er sprake van een opleving die ook zijn effect heeft op de jeugdige Argentijnen. Ik las een recensie over een nieuw tangosextet van tieners; de gitarist was zestien en speelde elektrisch(!). Dino Saluzzi, Raoul Borboza, Mosalini en Beytelmann zijn de al iets oudere maar vitale vertolkers van het genre. En er zijn er meer. De voormalige bandleden van Osvaldo Pugliese; Color Tango, Sexteto Mayor en het Nederlandse (!) Sexteto Canyengue. Clubs in Buenos Aires zoals La Viruta en vooral Parakultural met de sfeer van een ouwe hippietent, geven je het idee dat de tango heel hot is. Veel meer dan vroeger is het mogelijk om privédansles te nemen of deel te nemen aan de talloze prácticas. Geen nacht gaat voorbij in Buenos Aires zonder de tango. Is het een nostalgische opleving of het begin van een nieuwe ontwikkeling? Misschien is de tijd rijp voor een moderne tangodichter. De tango heeft een rijke traditie, het heeft hart en ziel, maar het zou wel wat verse opwinding kunnen gebruiken; die steekt voorzichtig de kop op, maar het valt niet mee om zo’n dwingend verleden als dat van Argentinië van je af te schudden.

Amsterdam, oktober 1997

Vincent van Warmerdam is componist en maakte filmmuziek voor o.a. Abel, De Noorderlingen en De Jurk. Op zoek naar de tango werd in oktober 1997 voor het eerst op deze site gepubliceerd.

CD – OCHO

Inspiración estilo gráfico : Ahimsa | privacybeleid
© Spaans Leren