Schilderen is de illusie creëren van licht en schaduw. De verf, bestaande uit pigment, bindmiddelen en siccatief wordt op het doek of paneel gesmeerd. Lichte kleuren voor het licht, donkere kleuren voor de schaduw. En of het nu traditionele schilderkunst betreft of moderne abstracte, het menselijk oog laat zich niet bedriegen. Of wel? Verf is tenslotte taaie chemische materie en de weerkaatsing van het licht op haar pigmenten veroorzaakt een illusie. Licht en schaduw…, sol y sombra. (1998)
La Casa Blanca
Het licht in Spanje is moordend, de schaduw een verademing. Niet voor niets zijn de kaartjes voor een zitplaats in de schaduw bij een stierengevecht duurder dan de plaatsen in de brandende zon. Niet voor niets begint een stierengevecht gewoonlijk pas rond 5 uur in de middag.
Voor de schilder vormt het Spaanse landschap een ongenaakbare uitdaging, want nuances tussen licht en donker aanbrengen, een geliefde bezigheid voor menig schilder, dreigt bij het Spaanse landschap tot mislukking gedoemd. Is dit misschien de reden dat er zo weinig Spaanse landschapschilders zijn in vergelijking bijvoorbeeld tot het grote aantal Hollandse meesters in dit genre? Zijn daarom de Spaanse schilderijen vaak zo somber en geschilderd in interieurs of bij nacht?
De in Spanje woonachtige Engelse schilder Paul Critchley (1960) lijkt de uitdaging te hebben aangenomen en neemt het scherpe contrast tussen het Spaanse witte licht en de schaduwen tot onderwerp van zijn vernuftige schilderijen.
Menigmaal worden zijn schilderijen gepresenteerd als drie-eenheden, zodat ze onderling onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Niet alleen wordt het scherpe licht op het schilderij zelf verbeeld met behulp van de verf, maar ook de muur waarop de schilderijen gehangen worden, doen mee aan het trompe l’oeil-effect. Een witte huiskamermuur suggereert de witte muur van een zuidelijk huis te zijn. Hangt men hetzelfde schilderij op een gelige muur, dan wordt het afgebeelde huis ook gelig. Zou men het schilderij op een donkere muur hangen, dan vindt er als het ware een weersomslag plaats en men loopt zelfs de kans het schilderij, hoewel al lang af en verkocht, alsnog te laten mislukken, omdat de lichteffecten het oog niet meer bedriegen.
Voor zijn schilderijen geeft Critchley instructies mee voor de beste manier van ophangen. Sommige triptieken dienen dan ook beslist tegen het plafond bevestigd te worden, zodat de huiskamer plotseling verandert in een smalle steeg, waar alleen loodrecht van boven een smalle streep licht naar beneden valt.
Just stand here...
Deze schilderijen breken dan ook met de klassieke traditie van een afbeelding binnen een lijst. Immers het schilderij wordt afgemaakt door de muur waarop het hangt. En hierin schuilt het vernuft van de schilderkunst van Paul Critchley.
Technisch begaafd, met een volledige controle over het kleurgebruik, weet hij het contrastrijke Spaanse licht perfekt weer te geven en zo een vaak wat dromerige romantische sfeer te creëren die balanceert op de grens van het kitscherige, ware het niet dat er toch een zekere onrust veroorzakende, beklemmende atmosfeer wordt opgeroepen. Iedereen die wel eens een ogenschijnlijk verlaten Spaans stadje is binnengegaan op het heetst van de dag zal deze sfeer herkennen. Menselijke activiteiten zijn volstrekt afwezig in de straten, waar alleen een hond ligt te slapen in de – alweer – enigszins dragelijke schaduw. Alleen vanachter de donkere, over de balkons neergelaten persianas is lome beweging waar te nemen, of het geluid van een schetterende radio of tv te horen…, a las cinco de la tarde.
Bekijk Paul’s schilderijen op zijn eigen website. Alle hier getoonde afbeeldingen werden met zijn toestemming geplaatst.
Amsterdam, 21 december 1998
Como habíamos pasado la noche Loes y yo en el anexo del hotel, tuvimos que pasar por la calle y dar la vuelta a la esquina para valernos de nuestro derecho al desayuno. Vino hacia nosotros un viejo coche americano y, sin que parase este, nos gritó una de los tres ocupantes desde la ventanilla abierta: – ¿Parlez-vous français? (1998)
Hotel Cala d'Or
-Oui- le respondió mi novia. Se oyeron un grito de alegría y el chirriar de los frenos. No cabía duda de que esta gente se veía en la necesidad de obtener cualquier información de importancia vital siempre que ésta fuera dado en francés. Tres jóvenes se arrojaron del coche y se nos acercaron con sonrisas radiantes de felicidad. En seguida la chica que había estado sentada junto al conductor, sacó unos papeles y un bolígrafo y, dirigiéndose a Loes, le preguntó si estuviéramos de vacaciones. Mi novia tiene conocimientos bastante buenos del francés, y no es imposible en absoluto que le gustara demostrar esa capacidad aún más después de haber sido testigo de mis intentos pobres y embarazosos de mantener algo lejanamente parecido a una conversación sencillísima en español durante una semana, y que por eso no terminara la charla diciendo que antes del primer café del día, encuestas no podían tomarse en consideración, tal como habría sido su manera habitual. Sólo había pocas preguntas pero una vez estas contestadas la reunión no se disolvió. Al contrario, llegó a ser festiva. Desde ahora se hablaban francés, inglés, español e incluso holandés, este último por iniciativa del conductor, un muchacho ligeramente anoréxico que parecía ser el jefe de la compañía. Había llegado el momento de agradecernos la cooperación dándonos la oportunidad de ganar un premio. Los jóvenes investigadores nos entregaron dos tarjetas ilustradas con tema de la copa del mundo de fútbol. Luego, cada uno de nosotros recibió una moneda para raspar una capa de color de plata desde cinco círculos en su tarjeta hasta descubrir las imágenes debajo. Mi moneda era una de cinco pesetas. Yo había terminado primero y tenía tres camisetas de fútbol azules. Había ganado una camiseta. Sin embargo, a pesar de este éxito tenía la impresión que todo el tiempo la otra tarjeta iba llamando más atención. Estaba Loes casi lista. Creció la excitación para estallar en júbilo: – ¡Tres Copas de Oro! – ¡Increíble! – ¡Un milagro!
Todos estrechamos la mano a todos y luego otra vez. – ¡Tres Copas de Oro es el Premio Mayor! Faltó poco para que estuviéramos bailando y cantando los cinco juntos. -¿Qué es el Premio Mayor? Había tres posibilidades: A. Una semana de vacaciones B. Una cámara de vídeo. C. Un televisor con vídeo integrado. -¿Cuál tengo yo? Ibamos a verlo enseguida. Es que también había en la tarjeta un pequeño cuadro de color de plata. Sólo podía ser raspado por el Director. El Director estaba en Cala d’Or. Que subiéramos todos al viejo americano y saliéramos a Cala d’Or a toda prisa. -Una pregunta: esa semana de vacaciones, ¿dónde sería? -¡Dondequiera en el mundo que desee!- dijo la chica. -En Mallorca- dijo el jefe. -Pero vayamos ahora mismo. -No podemos ahora mismo. Es que tenemos que desayunar. -¡Hombre! Han ganado el Premio Mayor, pues todo lo que deseen por desayuno se lo ofreceremos en Cala d’Or. -Lo sentimos, pero vamos a desayunar aquí y ahora. Ya vamos a Cala d’Or para sacar el premio más tarde. ¡Hasta luego!
Según Loes, en el comedor de nuestro hotel se sirvió el peor café jamás. Sobre la mesa entre nosotros descansaba la tarjeta de las tres copas de oro. -¿Qué crees que hay debajo del cuadrito de color de plata? me preguntó. -No tengo ni idea. -Me parece que puedo ver una A con nitidez. -¿A través de la plata? - Sí, dame cinco pesetas. Y en efecto había ganado una semana en Cala d’Or. Pero no hemos ido a recibir el premio. Tampoco hemos comprado un piso de utilización compartida. Somos holandeses desconfiados.
Amsterdam, september 1998
Joop Maes is marktkoopman en was (anno 1998) cursist bij Spaans Leren, bovenstaande tekst is door hem in het Spaans geschreven en niet ‘verbeterd’ door zijn docent.
Stierengevechten. In onze noordelijke ogen zijn er weinig barbaarsere beelden van dierenmishandeling dan dit Iberische spektakel. Bevlogen tegenstanders proberen aan deze praktijk via de politiek en emotionele acties een einde te maken, terwijl de aficionados even emotioneel proberen aan te tonen dat het bij de corrida om meer gaat dan het publiekelijk doden van een stier. (1998)
Toro de lidia
De Nederlandse tegenstanders van het stierengevecht hebben een illustere voorganger: de eerste en enige paus die ons land ooit heeft voort gebracht, Adrianus VI. Toen deze in 1521 tot zijn verbazing gekozen werd, trof hij in zijn Vaticaanse hofhouding o.a. een aantal stierenvechters aan, in dienst om het Romeinse publiek regelmatig te vermaken met een gevecht. Hij ontsloeg ze onmiddellijk, wat zijn populariteit geen goed deed. Zijn opvolger nam ze trouwens meteen weer in dienst. Tijdens de Spaanse overheersing werden ook in de Nederlanden z.g. stierenjachten gehouden. Hiervoor maakte men dan gebruik van gewone huisrunderen.
Ondanks het overbekende beeld van de zwarte vechtstier, gepopulariseerd door de enorme ijzeren stieren van de sherrybaronnen Osborne, onderscheidt het beest zich juist door enorm veel kleurvariaties en hoorn- en lichaamsvormen. Feitelijk een hutspot van ooit inheemse runderen die het schiereiland in de loop der eeuwen bevolkt hebben. Visueel doet het denken aan wat we hier op onze veestukken van voor 1880 zien. En het bijzondere is dat het Spaans voor al deze kleuren en vormen eigen woorden heeft, zodat exact aangeduid kan worden over welke eigenschappen en vormen men het heeft. Om een idee te geven; de kleuren van de toro de lidia worden verdeeld in tien hoofdgroepen met weer ettelijke subgroepen. Een groot verschil met onze drie ‘oorspronkelijke’ hoofdgroepen: zwart, zwart-wit en rood-wit.
Het in 1552 publiceren van een officiële lijst van oor- en brandmerken beschouwt men als het begin van de vechtstier-fokkerij. De eerste bekende fokker was ene Blas Jijón. Zijn naam is nog steeds verbonden aan de vlammend, dieprode kleur die van tijd tot tijd bij de dieren opduikt, te danken aan zijn keus voor brandrode beesten uit de provincie La Mancha. Ondanks dat deze runderen niet meer als zuivere groep bestaan, blijft zo toch een verwijzing naar de oorspronkelijke afstamming aanwezig.
Als oudste kudde, na de uitgestorven Jijones, wordt die van Cabrera beschouwd. Van hen is sprake sinds 1745, met als eigenaar José Cabrera uit Utrera bij Sevilla. Kenmerkend voor deze dieren is hun vermogen onderscheid te maken tussen de cape en de man er achter, wat hen een gevaarlijk tegenstander maakt bij een confrontatie. Vandaag de dag is deze eigenschap nog aanwezig bij de gevreesde Miura’s, grote, lange stieren met een enorme energie. Kenmerkende kleuren: zwart, grijs, roodgespikkeld en soms bruinen met een z.g patrijzenoog.
Kudde twee is die van de gebroeders Gallardo. In 1750 samengesteld door de priester Don Bernaldo de Quires, die hiertoe stieren uit Navarra kruiste met koeien uit Andalusië. Dominante kleuren: zwart, zwart-grijs en kastanje. Huidige afstammelingen zijn de beroemde stieren van Pablo Romero.
Als derde stam beschouwt men de Vazquena’s. Rond 1757 ‘opgericht’ door Don Vázquez uit, alweer, Utrera. De oorspronkelijke dieren werden al snel gekruist met vier andere soorten zodat van het oorspronkelijke type niets overbleef. Deze overdaad aan voorouders veroorzaken bij de afstammelingen een breed kleurenspectrum, variërend van zwart naar wit, koffiekleurig en alles daar tussen.
De laatste groep is die van Vistahermosa, daterend uit 1775, ook weer uit Utrera. Over het jaartal wordt gediscussierd omdat een eerste ‘set’ stieren door een eerdere eigenaar al in 1733 in de arena van Sevilla werd gepresenteerd. Directe afstammelingen zijn de huidige Urquijo stieren. Door eeuwenlang een uiterst zorgvuldig fokbeleid te hanteren met zo goed als geen ‘vreemd’ bloed zijn de kleuren beperkt: zwart, donkergrijs en kastanje.
Er zijn er natuurlijk meer geweest, maar men laat groepen die niet duidelijk aanwijsbare invloeden hebben of nog te ‘jong’ zijn, buiten beschouwing. Het zou voor de lijn van dit verhaal ook te veel worden om diepgaand op deze materie in te gaan.
Welke stieren nog wel vermeldenswaard zijn, zijn de Morucho’s. Afkomstig uit de omgeving van Salamanca, geen zuivere bravos door een te hoog gehalte aan ‘gewoon’ rund in hun afstamming. Deze dieren worden vanwege hun gehardheid en weinig veeleisende karakter gebruikt voor de ruwe dorpsfeesten.
Bij bovenstaande opsomming is duidelijk te zien, dat de bakermat van de vechtstier-fokkerij in het hete zuid-Spanje, in Andalusië ligt. Nog steeds komen daar de meeste, en beste stieren vandaan en men gelooft ook dat de barre omstandigheden waarin de dieren moeten leven, weinig water en voedsel, de omstandigheden zijn waardoor een rund met dit karakter zich heeft kunnen ontwikkelen. Als een stier een Spaanse (of Portugese, of Mexicaanse, of Columbiaanse) arena binnen dendert, is hij doorgaans tussen de drie en vijf jaar oud en weegt hij tussen de vier- en zeshonderd kilo. Niet zo zwaar dus vergeleken met het ons bekende slachtvee.
Deze stier is een fokproduct, toegesneden op de eisen van de tegenwoordige stierenvechters. Wendbaar, kort dus, met een karakter en uithoudingsvermogen geschikt om het het vijftien minuten durende gevecht vol te houden en te doen wat er van hem gevraagd wordt.. Niet meer te vergelijken met het beest dat vijftig of honderd jaar geleden in de arena stond.
Leg een ets van de 19e eeuwse Spaanse schilder Goya naast een foto van een huidige toro de lidia en het verschil is duidelijk zichtbaar. De opgerichte horens zijn nu laag en naar voren, het lichaam is anders geproportioneerd en ook het temperament is niet meer zoals dat bij de stieren uit Goya’s tijd gebruikelijk was. Zelfs een stier uit de tijd van Hemingway, de jaren ‘30, verschilt hemelsbreed van wat er nu in arena’s te zien is. Deze ‘oude’ vormen zijn nog terug te vinden in een restant van het originele Portugese vechtras , de toiro da terra, die op de rand van uitsterven staat, en bij de zwarte halfwilde runderen uit de Rhone-delta. Ook een vechtstier moet beantwoorden aan de wetten van vraag en aanbod. En aan de mores van de tijd. Voor veel aficionados is het heden een dieptepunt in de geschiedenis van de corrida en ziet men de toekomst somber in. Niet alleen vanwege de stijgende populariteit van het spektakel, dat ten koste gaat van de kwaliteit van de aangeboden stieren, maar ook door het teveel tegemoet komen aan de eisen van de toreros, die er uiteraard baat bij hebben de arena ongeschonden te verlaten en steeds kleinere en handzamere tegenstanders vragen. Voor een dier dat gewend is aan de extreme omstandigheden en het karige voedselaanbod van zijn geboortegrond zijn dit soort zaken funest. Het resultaat is een al na tien minuten naar adem snakkende stier, geveld door een teveel aan vet en kilo’s. Ook de z.g. wilde toro bravo blijkt niet anders dan onze gedomesticeerde runderen. Een product geschikt voor het doel wat men gesteld heeft met een nauwkeurig afgepaste hoeveelheid vrijheid om oude emoties en verlangens in leven te houden.
Want het blijft indrukwekkend en ongrijpbaar: een woedende toro bravo, de staart geheven, de nek strak gezwollen van drift, een oervorm, vol zelfvertrouwen de arena instormend, het speeksel in lange slierten achter zich aan trekkend, de kop snel heen en weer bewegend, klaar om elke vijand onmiddellijk aan te vallen. Ons.
Amsterdam, mei 1998
Monica Rotgans is een door het Iberisch schiereiland gefascineerde schilder en beeldhouwer. Ze organiseert schilderreizen naar Zuid-Spanje. Daarnaast is zij auteur bij verschillende magazines en docent schilderen. Zij publiceerde o.a. Toros y Tierras en het prachtige schilderboek Verf.
Verf – Monica Rotgans
Spanje wordt gewoonlijk niet geassociëerd met zware aardbevingen en spectaculaire vulkaanuitbarstingen. Toch werd in de 15e eeuw het stadje Olot aan de voet van de Catalaanse Pyreneëen geheel verwoest door een aardbeving en nog maar 4000 jaar geleden waren de vele vulkanen in de streek nog actief. (1998)
Wanneer de toerist na een vermoeiende reis over de Franse tolwegen bij La Jonquera de Spaanse grens passeert, liggen de stranden van Roses, Lloret de Mar, Blanes en Sitges verleidelijk te wachten achter de achtereenvolgende salidas van de autopista. Menig toerist zal op die stranden neerploffen, om er vervolgens de eerstkomende twee weken niet meer vandaan te komen. Een enkeling zal op een bewolkte dag nog wel eens de historische stad Girona bezoeken of het fascinerende museum van Salvador Dalí in Figueres bekijken.
Niet ver voorbij deze beide steden in westelijke richting ligt het stadje Olot, temidden van de slapende vulkanen van de Garrotxa. De weg ernaar toe passeert eerst de historische stadjes Besalú en het spectaculair op een rotswand gelegen Castellfollit de la Roca. Als men niet weet dat er in het omringende landschap vele vulkanen liggen, rijdt men er gemakkelijk aan voorbij. Nergens is een karakteristieke rookpluim te zien en ook zijn de typische kegelvormen goed verborgen onder de weelderige begroeiing en tussen de omringende even hoge bergtoppen. Eenmaal aangekomen in Olot loop je ook gemakkelijk voorbij aan de vulkaan die midden in het dorp ligt! Het zijn dan ook geen geweldig hoge vulkanen en ook de diameter is betrekkelijk gering. Toch zijn het geen onschuldige vulkanen. Ze worden door de geologen als slapend beschouwd, omdat de laatste uitbarsting nog maar (!) 4000 jaar geleden plaatsvond en dat is naar geologische maatstaven slechts 5 minuten geleden!
Dit bedenkend en met enig gevoel voor dramatiek wordt het lopen over de bodem van de Volcà de Montsacopa midden in Olot plotseling tot een gewaagde vuurloop. De bewoners van het stadje worden gelukkig niet geplaagd door dergelijke gevoelens, want pal tegen de vulkaanwand is een klein huizenwijkje gebouwd. Het hele stadje zou natuurlijk geen schijn van kans hebben als het weer eens tot een uitbarsting mocht komen.
Vanuit Olot, waar trouwens een vulkaanmuseum gevestigd is, kan men, -al dan niet georganiseerd, tochten ondernemen naar de andere vulkanen van de Garrotxa. Zelfs een ballonvlucht erover heen schijnt mogelijk te zijn. In de richting van Santa Pau komt men o.a. de Volcà de Santa Margarida tegen, één van de mooiste. Een wandeling ernaartoe en bovenop de kraterwand kost hooguit een uur en wordt goed aangegeven door routebordjes. Ook vind je overal bordjes met tekst en uitleg over het ontstaan van de vulkanen en de soorten die door de geologen worden onderscheiden. Helaas helpt je de cursus Spaans die je hebt gevolgd niet heel veel, want alle borden zijn in het Catalaans opgesteld, de taal die zo veel lijkt op het Spaans, maar toch heel anders klinkt en een sterk afwijkende grammatica heeft.
Neem nu de Volcà de Santa Margarida: volgens de geologen wordt deze vulkaan gekenmerkt door een dinamisme mixt estrombolià i freatomagmàtic. Dit proberen uit te spreken levert al bijna een vulkaanuitbarsting op! Eenmaal, na een zeer steile klim over een zeer zwart zandpad, bovenaan op de kraterrand aangekomen, ontvouwt zich het panorama van een nagenoeg perfect ronde omloop, dichtbegroeid met bomen en vrij steil aflopend naar een niet zo heel erg diepe krater, waar op de bodem in het midden, -hoe kan het anders in dit land, een kerkje is gebouwd. Niet eens zo’n erg oud kerkje, want de vorige is nog vernietigd bij de grote aardbevingen van 1427.
Beneden, rond het kerkje is een groepje schoolkinderen bezig met een prueba de sobrevivencia. Ik zei het al; je moet een beetje gevoel voor dramatiek hebben om het je allemaal te kunnen voorstellen. De monitora van de kinderen is in ieder geval in geen velden of wegen te bekennen en navraag leert dat zij op de camping van Santa Pau de barbacoas van die avond aan het voorbereiden is. Van boven op deze krater leiden de bordjes naar de volgende vulkaan, maar wij houden het voor gezien en keren terug naar de auto. Als je eenmaal één of twee slapende vulkanen hebt gezien, dan heb je ze allemaal gezien en ook wij moeten op tijd terug zijn voor de barbacoas van die middag.
Amsterdam, augustus 1998
Lee más… (es)
Woensdag 7 oktober, 16.35-17.00 uur op Ned 2: Op z’n Spaans (afl. 5)
Ciudad de las Artes y las Ciencias
Valencia is de op twee na grootste stad van Spanje. Het is de hoofdstad van de gelijknamige provincie en van de autonome regio. De stad ligt aan de rivier de Turia, die uitmondt in de Middellandse Zee. Valencia werd gesticht door de Romeinen en is de geboorteplaats van de paella, een van de bekendste gerechten uit de Spaanse keuken. Men ziet in de uitzending hoe een paella gemaakt wordt. De stad wordt ook door toeristen druk bezocht. Het stadspark met de schitterende gebouwen van de Ciudad de las Artes y las Ciencias (waaronder het muziekpaleis Palau de les Arts Reina Sofia van architect Santiago Calatrava) is een enorme trekpleister. In de provincie Valencia zijn citrusplantages zo ver het oog reikt. Wanneer de sinaasappelbomen in bloei staan, is de lucht vervuld van een betoverende geur. De kuststrook ten zuiden van Valencia wordt wel de Costa del Azahar, kust van de oranjebloesem, genoemd. Men zegt dat zeelui de geur tot op een afstand van tien zeemijlen van Valencia kunnen ruiken. Traditioneel worden elk jaar op 19 maart de fallas gevierd, ter ere van St. Jozef. Elke buurt maakt voor het festival zijn eigen falla. Dit is een enorme pop van papier maché, volgestopt met vuurwerk. Al deze fallas vormen eerst een grote parade en worden daarna massaal verbrand door het afsteken van het vuurwerk. Een oorverdovend spektakel.
¡Aquí habla su psiquiatra!
Teléfono chiquito
Een sainete is een komisch toneelstukje. Rolverdeling:
Plaats van handeling is een vliegtuigcabine in een door een hittegolf geplaagd land. Verder is het van belang dat alle spelers, figuranten, alsook het publiek zich voorzien van draagbare gsm-telefoons, omdat het anders niet zeker is dat dit toneelstukje goed afloopt! (1998)
De meest wonderlijke, idiote en onwaarschijnlijke verhalen worden verzonnen en op speelfilmformaat vastgelegd door de Spaanse regisseur Pedro Almodóvar. Karakteristiek voor zijn melodrama’s als Mujeres al borde de un ataque de nervios, Kika (dvd), Tacones lejanos, Atame (dvd) en recent Carne trémula zijn de wilde en ongeloofwaardige gebeurtenissen die op een of andere manier aan het eind van de film aan elkaar geknoopt worden en min of meer goed aflopen. Opvallend daarbij is dat de vrouwen, hoewel vaak een zenuwinzinking nabij, als sterke karakters uit de bus komen, terwijl de mannen niet meer dan een soort gilipollas (lulhannessen) zijn, die wel echte machistas zijn, maar toch jammerlijk aan het kortste eind trekken. Ook speelt bij Almodóvar het moderne leven in de vorm van de nieuwste technische snufjes een grote rol. Toch is Almodóvar niet de enige vertolker van dit genre gebeurtenissen, getuige het volgende voorval:
Op zekere dag stapt ene Gómez González in Sevilla in het vliegtuig naar Barcelona met het vaste voornemen om als een soort agent 007 het terrorisme in het Midden-Oosten voor eens en voor altijd uit te schakelen. Hij dwingt daartoe het vliegtuig naar Tel Aviv koers te zetten onder dreiging van het meest verschrikkelijke wapen dat ie thuis vinden kon: de afstandsbediening van z’n TV. Hij maakt de piloot wijs dat hij daarmee op afstand een bom tot ontploffing kan brengen, die hij in het vliegtuigruim verstopt heeft.
De piloot ziet op z’n benzinemeter dat hij Tel Aviv nooit halen zal en zet zijn toestel neer in Valencia, waar direct een overmacht van een geheime afdeling van de Guardia Civil het toestel omsingelt. Nu wil het toeval dat zich aan boord een zeer dappere en doortastende vrouw bevindt, die niemand minder dan Soledad Becerril is, de burgemeester van Sevilla. Tot haar verbazing ziet zij dat haar medepassagiers inmiddels druk naar huis zitten te bellen met behulp van hun draagbare telefoons, die in Spanje teléfonos chiquitos worden genoemd, kennelijk om te vertellen dat het wel wat later worden kan.
Doet zij nu het zelfde? Nee, zij besluit om het koningshuis plus de voltallige Spaanse regering op de hoogte te brengen van het voorval. De minister van binnenlandse zaken Jaime Mayor Oreja, zijne majesteit Juan Carlos, koningin Sofía en natuurlijk de man met het Charlie Chaplin-gezicht, minister-president José María Aznar. Al deze mensen worden via haar slimme telefoontoestelletje op de hoogte gebracht van de dramatische gebeurtenissen in het vliegtoestel.
José María Aznar laat de burgemeester onmiddellijk weten dat hij aan de zijde van de passagiers staat, wat natuurlijk een hele geruststelling is. Voor de eerste minister een routineklus, want had hij zich niet daags tevoren in dezelfde bewoordingen uitgelaten tegen het nationale voetbalteam voordat het in Frankrijk tegen Nigeria moest spelen? Soledad Becerril belt ondertussen naar haar collega in Valencia, burgemeester Rita Barberá. Wie zei daar ook weer dat Spanje een maatschappij is, waar de macho-man het voor het zeggen heeft? Samen overleggen de dames over de te volgen strategie.
Niet lang daarna rinkelt in de cockpit de teléfono chiquito van de piloot. Het is de psychiater van Gómez González. Of ie even met z’n patiënt mag spreken. Waarom was ie niet komen opdagen op z’n therapieuurtje van vanmorgen? Na enig heen en weer gepraat laat Gómez González zich door z’n psychiater overtuigen dat hij een doldwaas avontuur is begonnen en zich beter kan overgeven aan de politie. Even later kunnen alle passagiers het toestel ongedeerd verlaten om opnieuw naar huis te bellen en het mooie nieuws te vertellen.
lo digo y lo voy a hacer un teléfono chiquito pa saber de tu querer - Joaquín ‘El Zambo’
Amsterdam, juli 1998 Iedere overeenkomst tussen bovenstaande sainete en ware gebeurtenissen berusten niet op toeval.